Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0758

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5322 AW + 06/5323 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Integriteitsonderzoek. Eervol ontslag. Ontzeggen van afscheidsreceptie. De beslissing om appellanten het nemen van officieel afscheid op een receptie, die hen door de dienst wordt aangeboden, te ontzeggen, moet worden gezien als een voor beroep vatbaar besluit.


Uitspraak

06/5322 AW + 06/5323 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [appellant 1], en [appellant 2], (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 juli 2006, 05/353 en 05/354 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: appellanten en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 15 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroepen ingesteld. De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 07/4533, 07/4534, 07/4783 en 07/4785 AW, plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. S. van Loenhout, juridisch adviseur te ’s-Gravenhage. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te ’s-Gravenhage, en door drs. D. Tempelaars, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De behandeling van de zaken is na de zitting gesplitst en thans wordt in deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellanten waren werkzaam als [functie 1] respectievelijk [functie 2]. Nadat het vermoeden was gerezen dat appellanten zich aan onregelmatigheden hadden schuldig gemaakt is ter zake een onderzoek ingesteld. Bij besluiten van 2 april 2004 is aan appellanten in verband met dit onderzoek de toegang tot de dienstgebouwen en het werk ontzegd op grond van artikel 77 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Tegen deze besluiten hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend. 1.2. Bij brieven van 29 april 2004 heeft de staatssecretaris aan appellanten meegedeeld dat (i) aan hen geen disciplinaire straf wordt opgelegd, (ii) zij niet terug kunnen keren in hun functies tot 1 juni 2004 (de datum waarop zij gebruik zullen maken van de FPU+-regeling) en (iii) zij niet in de gelegenheid worden gesteld officieel afscheid te nemen van de dienst en van de sector. Bij besluiten van 15 juni 2005 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellanten tegen de onderdelen (i) en (iii) niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen besluiten gericht op rechtsgevolg zou betreffen en het bezwaar tegen onderdeel (ii) gegrond verklaard en besloten dat aan appellanten vanaf 29 april 2004 tot aan de datum van ontslag buitengewoon verlof wordt verleend op grond van artikel 33e van het ARAR. 2. Bij de aangevallen uitspaak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de tegen deze besluiten van 15 juni 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. 3. De Raad stelt op grond van de hoger beroepen en het verhandelde ter zitting vast dat in deze zaken uitsluitend nog in geding is de besluitvorming met betrekking tot het weigeren van een afscheidsreceptie, hiervoor weergegeven onder 1.2, bij (iii). Nu de gemachtigde van appellanten ter zitting heeft verklaard dat het verleende buitengewoon verlof niet meer wordt aangevochten, kan ook de in het primaire besluit vervatte beslissing (ii) hen niet meer in hun functie te laten terugkeren niet meer aan de orde komen. Die beslissing is immers bij besluit op bezwaar door het buitengewoon verlof vervangen. Tot slot merkt de Raad op dat tegen de ontzegging van toegang tot de dienstgebouwen en het werk nimmer een rechtsmiddel is aangewend, zodat dat besluit reeds daarom hier niet in de beoordeling kan worden betrokken. 3.1. Anders dan de rechtbank en de staatssecretaris is de Raad van oordeel dat de beslissing om appellanten het nemen van officieel afscheid op een receptie, die hen door de dienst wordt aangeboden, te ontzeggen, moet worden gezien als een voor beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van de zijde van de staatssecretaris is verklaard dat het houden van een zodanige receptie bij ontslag als hier aan de orde volstrekt gebruikelijk is bij het ministerie. Gelet hierop houdt de Raad het ervoor dat de staatssecretaris appellanten, door aan hen die receptie te weigeren, een recht heeft onthouden. 3.2. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen die weigering niet-ontvankelijk is verklaard, in zoverre niet in stand kan blijven. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit niet is onderkend, moet in zoverre worden vernietigd. 4. De Raad ziet voorts aanleiding om uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.1. Vast staat dat aan appellanten per 1 juni 2004 eervol ontslag is verleend op eigen verzoek, wegens gebruikmaking van de zogeheten FPU+-regeling. De weigering om dat ontslag gepaard te laten gaan met een officiële afscheidsreceptie is gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek naar de integriteit van appellanten dat in het voorjaar van 2004 is uitgevoerd. 4.2. Met betrekking tot dit onderzoek is ten aanzien van appellant [appellant 1] in het primaire besluit opgemerkt dat geen bewijzen zijn aangedragen voor de bewering van collega’s dat met deze appellant in het kader van zijn werkzaamheden wel iets te regelen viel en dat hij naar luchtvaartmaatschappijen toe welwillend en te koop was. Ten tweede is opgemerkt dat vast is komen te staan dat appellant zich bedient van grof taalgebruik en collega’s op insinuerende wijze heeft aangesproken, maar dat hij in het verleden nooit door leidinggevenden op zijn werkwijze is aangesproken en goede beoordelingen en gratificaties heeft gekregen. De Raad ziet niet in dat in deze omstandigheden voldoende grond zou kunnen worden gevonden om appellant [appellant 1] het recht op een officiële afscheidsreceptie te ontzeggen. 4.3. In het primaire besluit gericht aan appellant [appellant 2] is vermeld dat uit het onderzoek is gebleken dat sprake is van een zodanige verwevenheid van appellant met de sector, dat niet meer aannemelijk is dat hij in zijn functie van handhaver een onafhankelijk oordeel kan vellen over de naleving van de regelgeving door de sector, dat hij zijn werk doet met meerdere petten op, als handhaver zijn vroegere functie als vergunningverlener niet kan loslaten en regelmatig de visie van de vergunningverlenende afdeling overruled. Voorts is aangegeven dat appellant op deze handelwijze nooit door een leidinggevende is aangesproken en altijd goede beoordelingen en functioneringsgesprekken heeft gehad. In de interne memo van 25 maart 2005 is voorts teruggekomen van de indruk die in een eerder memo zou kunnen zijn gewekt dat appellanten zich schuldig zouden hebben gemaakt aan enige onregelmatigheid. Benadrukt is dat geen bewijs is gevonden van onregelmatigheden die door appellant zouden zijn gepleegd. De Raad leidt hieruit af dat bij het gedrag van appellant [appellant 2] wel kanttekeningen worden geplaatst, maar nu hij daar nooit eerder op is gewezen, hem daarvan geen verwijt wordt gemaakt. Ook in het geval van appellant [appellant 2] kan de Raad daarom niet inzien dat voldoende grond bestond om hem een officieel afscheid te onthouden. 4.4. Dit betekent dat de Raad het bezwaar van appellanten gegrond zal verklaren. Aangezien appellanten hebben verklaard thans geen prijs meer te stellen op een officieel afscheid bepaalt de Raad dat ter genoegdoening aan appellanten ieder een bedrag van € 500,- wordt toegekend door de staatssecretaris. 5. De Raad ziet voorts aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van appellanten in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, waarbij is uitgegaan van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek om toepassing van artikel 7:15 van de Awb is eerst in beroep gedaan, zodat niet is voldaan aan het derde lid van dat artikel. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 15 juni 2005 voor zover betrekking hebbend op het weigeren van een afscheidsreceptie gegrond en vernietigt die besluiten in zoverre; Verklaart het bezwaar tegen die weigeringen gegrond; Draagt de staatssecretaris op aan appellanten ieder een bedrag van € 500,- toe te kennen; Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 644,- ieder, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellanten het door hen in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 347,- (ieder) vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009. (get.) J.G. Treffers. (get.) M. van Berlo. HD