Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0720

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHV 200.014.560/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontheffing op grond van art. 1:266 BW jo. Art. 268, lid 2 sub b BW


Uitspraak

BSU 15 januari 2009 Sector civiel recht Zaaknummer 200.014.560/01 Zaaknummer eerste aanleg 187910 FA RK 08-1615 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. C.J.M. Jansen, t e g e n Raad voor de Kinderbescherming, Regio Midden- en West-Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [Y.], verblijvende te [verblijfplaats], hierna te noemen: de vader, en: Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats], tevens kantoorhoudende te [plaatsnaam] hierna te noemen: de stichting. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 1 juli 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 25 september 2008, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden het inleidende verzoek van de raad, strekkende tot ontheffing van de moeder van het gezag over haar kinderen - [A.] (hierna: [A.]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] en - [B.] (hierna: [B.]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2008, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. C.J.M. Jansen; - de raad, vertegenwoordigd door de heer P. van Seeters; - de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw E. Heerings; - de vader. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 juni 2008; - de brief d.d. 27 november 2008 met bijlagen van de advocaat van de moeder. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. De moeder en de vader zijn op 2 juni 2001 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn [A.] en [B.] geboren. 4.2.1. Bij beschikking van 17 april 2008 zijn de moeder en de vader geschorst in de uitoefening van het gezag over [A.] en [B.]. Bij beschikking van 15 mei 2008 is eerstgenoemde beschikking gehandhaafd. Bij beschikking van 1 juli 2008 is de vader ontzet van het gezag over [A.] en [B.]. De vader heeft in die beschikking berust. 4.2.2. Bij op 7 april 2008 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de raad verzocht de moeder te ontheffen van het gezag over haar beide kinderen. 4.2.3. Aan dat verzoek heeft de raad ten grondslag gelegd dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen. Ter toelichting hierop heeft de raad gesteld dat de moeder ernstig tekort is geschoten in de opvoeding en verzorging van de kinderen en dat zij de veiligheid van de kinderen niet heeft gewaarborgd en niet heeft gehandeld waar zij had moeten handelen toen [B.] seksueel werd misbruikt door de vader. Volgens de raad vertonen beide kinderen niet leeftijdsadequaat seksueel getint gedrag, stelt de moeder haar eigen belang centraal en zijn de belangen van de kinderen voor de moeder duidelijk secundair. De raad heeft verder aangevoerd dat de moeder niet in staat kan worden geacht om de veiligheid van de kinderen nu en in de toekomst te garanderen, omdat zij niet in staat zal zijn om de kinderen aan de invloed van de vader te onttrekken. 4.2.4. De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verzochte maatregel en ook de vader heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. De stichting heeft zich achter het verzoek van de raad geschaard. 4.2.5. Bij de beschikking, waarvan beroep, heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over de beide voornoemde kinderen en de stichting tot voogdes over hen benoemd, waartoe de rechtbank het volgende heeft overwogen. Omdat de moeder en de vader zich tegen vrijwillige ontheffing verzetten heeft de rechtbank onderzocht of er gronden zijn voor een gedwongen ontheffing. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat met name uit de raadsrapportage genoegzaam blijkt dat de moeder diverse signalen, die wezen op een onveilige situatie van de kinderen en met name van [B.], volstrekt niet heeft onderkend. Zij heeft die signalen genegeerd en de zwaarte van de problematiek niet ingezien, dit alles ten behoeve van zichzelf en de vader. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat de moeder, mede gelet op haar eigen persoonlijke problematiek en belaste voorgeschiedenis, aldus een aandeel heeft gehad in het creëren van een omgeving waarin het seksueel misbruik heeft kunnen plaatsvinden. Ook vreest de rechtbank dat de moeder uiteindelijk op termijn niet in staat zal zijn de kinderen te beschermen tegen de vader of mogelijk een toekomstige andere partner. Dit alles leidt tot het oordeel dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen. Voldoende is komen vast te staan dat gevreesd moet worden dat de moeder zonder de ontheffing niet in staat zal zijn de kinderen te beschermen tegen de invloed van de vader, ook al is hij ontzet van het gezag over de kinderen. Op grond van het vorenstaande moet het verzoek tot ontheffing in het belang van de minderjarigen worden toegewezen. Bezien in het licht van het vorenstaande is een ondertoezichtstelling, zoals door de moeder verzocht, volgens de rechtbank een volstrekt onvoldoende maatregel. 4.3. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft daartegen vier grieven voorgedragen. Hetgeen de moeder ter toelichting op deze grieven heeft aangevoerd komt er - kort weergegeven - op neer dat de moeder zich in staat acht om de kinderen nu, danwel op enige termijn, een veilige omgeving te bieden en dat zij indien anderen vinden dat de moeder daarbij (intensieve) hulp nodig heeft, voor deze hulp openstaat. In dit verband heeft de moeder er op gewezen dat zij, vanaf het moment dat zij uit [plaatsnaam] is vertrokken, volledig heeft opengestaan voor de hulpverlening die aan haar en de kinderen is geboden en dat zij de aanbevelingen van die hulpverleners ook telkens ter harte heeft genomen, zulks ondanks de moeilijke situatie waarin zij zich bevond. De moeder heeft er verder op gewezen dat zij zich ook gedurende de periode dat zij noodgedwongen in de Dak- en Thuislozenopvang van Traverse te [plaatsnaam] heeft verbleven en de kinderen bij familie van vaderszijde waren ondergebracht, dagelijks heeft beziggehouden met de zorg voor de kinderen en op het moment dat bleek, dat het verblijf van de kinderen bij de familie vaderszijde mogelijk niet meer in hun belang was, de raad daarover heeft geïnformeerd, waarna met spoed een crisispleeggezin is gezocht en gevonden. De moeder heeft erkend dat zij een belast verleden heeft, maar zij heeft tevens aangevoerd dat zij inmiddels al meer dan een half jaar met hulp van de GGZ en de Blauwe Maan (Steunpunt Slachtoffers Seksueel Misbruik) bezig is onverwerkte zaken uit het verleden te verwerken, waardoor zij beter zicht krijgt op zichzelf en de signalen van [A.] en [B.], welke signalen zij in het verleden mogelijk heeft gemist. Daarnaast gaat de moeder naar haar zeggen op korte termijn deelnemen aan het traject “Vlieg er eens uit” van Feniks, in welk traject het ontdekken van kwaliteiten en capaciteiten van de deelneemsters en het benoemen en uitbouwen daarvan centraal staat. Volgens de moeder is zij de afgelopen maanden een positieve weg ingeslagen en sterker geworden, welke conclusie volgens haar wordt gedeeld door de Stichting Maatschappelijke Opvang Midden-Brabant, mevrouw Van Gerven, maatschappelijk werkster bij De Blauwe Maan, en mevrouw Kennes en mevrouw Metzke, beiden medewerkers van Traverse, afdeling crisisopvang. Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat zij een nieuwe levenspartner heeft gevonden met wie zij is gaan samenwonen, dat de voorgenomen echtscheiding van de vader definitief wordt doorgezet, dat zij de vader onder geen beding meer een rol zal laten spelen in haar leven en dat zij, indien haar nieuwe partner aan een samenzijn met haar kinderen in de weg zou staan, deze relatie zal beëindigen. De moeder heeft voorts gesteld dat de band tussen haar en de beide kinderen bijzonder hecht is geworden vanaf het moment van inverzekeringstelling van de vader en dat zij juist in deze periode heeft laten zien de juiste beslissingen voor de beide kinderen te nemen, goede zorgen voor hen heeft en waakt voor hun veiligheid. Volgens de moeder is er thans een omgangsregeling van 1 keer per maand en op vaste tijden telefonisch belcontact, verlopen deze contact- en omgangsmomenten bijzonder goed en geven de beide kinderen aan dat zij graag bij hun moeder willen blijven slapen. Op grond van het bovenstaande kan de vrouw zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat een ondertoezichtstelling een volstrekt onvoldoende maatregel is, nu aan een dergelijke maatregel een (tijdelijke) uithuisplaatsing van de minderjarigen kan worden gekoppeld en op deze wijze kan worden getoetst hoe de moeder zich verder ontwikkelt, welke hulpverlening aan de moeder en de kinderen geboden is en of thuisplaatsing op een veilige en verantwoorde wijze kan plaatsvinden. Overigens is de moeder van mening dat niet is voldaan aan het criterium van artikel 268 lid 2 sub b. BW. 4.4. De raad en de stichting hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden kan worden om de bestreden beschikking te vernietigen en dat een ondertoezichtstelling van de beide kinderen en een eventueel daaraan gekoppelde uithuisplaatsing geen garantie bieden dat de kinderen niet opnieuw in een situatie geraken waarin zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. 4.5. De vader verzet zich ook in hoger beroep tegen de gedwongen ontheffing van de moeder van het gezag over hun beide kinderen. 4.6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Op grond van artikel 1:268 lid 2 sub b BW kan bij verzet van de ouder de ontheffing niettemin worden uitgesproken indien zonder de ontheffing van de ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de kinderen niet aan diens invloed zou onttrekken. Vaststaat dat de vader is ontzet van het gezag over zijn beide kinderen. In 2004 is de vader van [B.] en [A.] strafrechtelijk veroordeeld voor het downloaden en in het bezit hebben van kinderporno. De moeder was van deze veroordeling op de hoogte maar heeft deze veroordeling onder druk van de vader voor familieleden verzwegen. Bovendien heeft zij de verklaring van de vader geloofd dat sprake was van spam. Vanaf eind september 2006 heeft de vader ontucht gepleegd met [B.] en deze ontuchtige handelingen vastgelegd en via internet verspreid. Omdat de moeder het vreemd vond dat de vader vaak boven was met de kinderen en hun vriendinnetjes, heeft zij de vader wel eens bespioneerd. Bij een van die gelegenheden heeft zij de vader, [B.] en haar vriendin gezien en toen waargenomen dat het vriendinnetje van [B.] op een onderbroek na, niets aanhad, terwijl [B.] en de vader hun kleren wel aan hadden. Op 2 november 2007 heeft de politie een inval gedaan in het huis van de ouders, waarbij de vader is aangehouden en computermateriaal in verband met vermoeden van seksueel misbruik/kinderporno in beslag genomen. Tijdens het politieverhoor heeft de vader bekend ontucht te hebben gepleegd met [B.] en de ontuchtige handelingen te hebben vastgelegd en verspreid. De vader is terzake strafrechtelijk veroordeeld. Hoewel de moeder zelf tijdens haar jeugd slachtoffer is geworden van seksueel misbruik heeft zij pas twee weken voor de arrestatie van de vader een vermoeden gekregen van seksueel misbruik van [B.] door de vader, toen zij constateerde dat [B.] erg aanhankelijk was ten opzichte van de vader. Omdat zij dit herkende als gedrag dat zij destijds zelf vertoonde, heeft zij aan de vader gevraagd waar hij mee bezig was, maar heeft zij vervolgens zonder doorvragen genoegen genomen met diens antwoord dat hij nergens mee bezig was. Door aldus te handelen heeft de moeder bewust of onbewust de ogen gesloten voor het feit dat de beide kinderen van partijen in een onveilige situatie verkeerden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de moeder de diverse signalen die wezen op een onveilige situatie bij de kinderen volstrekt niet heeft onderkend en heeft genegeerd en de zwaarte van de problematiek niet heeft ingezien. 4.7. Het hof wil aannemen dat de moeder thans alles in het werk stelt om onverwerkte zaken uit het verleden te verwerken en om nu dan wel op korte termijn voor haar kinderen te kunnen zorgen en hen een veilige omgeving te bieden en open te staan voor (intensieve) hulp daarbij, maar dat laat onverlet dat de kinderen mede door toedoen van de moeder gedurende langere tijd in een situatie hebben verkeerd waarin seksueel misbruik heeft kunnen plaatsvinden en dat de moeder de veiligheid van de kinderen niet heeft kunnen waarborgen. De moeder heeft daarmee een aandeel gehad in het creëren van een omgeving waarin seksueel misbruik heeft kunnen plaatsvinden. In dit verband verdient opmerking dat de moeder bij de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek tegen de vader nog te kennen gaf achter de vader te staan en het voornemen te hebben om na de detentie en mogelijke behandeling van de vader het gezin te herenigen. In deze situatie is in zoverre wijziging gekomen dat de moeder inmiddels tegen de vader een echtscheidingsprocedure aanhangig heeft gemaakt en met een andere man samenwoont, maar het hof is er mede op grond van de inhoud de brief d.d. 10 oktober 2008 van de GGZ Midden-Brabant, die door de advocaat van de moeder zelf in het geding is gebracht met de kennelijke bedoeling dat het hof van de inhoud van die brief kennis kon nemen, en de daarin geschetste persoonlijkheidsproblematiek van de moeder niet van overtuigd dat de moeder, ondanks het feit dat de vader thans is gedetineerd en dat op korte termijn de echtscheiding zal worden uitgesproken, bestand zal zijn tegen de invloeden van de vader, die ter zitting van het hof te kennen heeft gegeven dat hij graag contact met zijn beide kinderen wil blijven onderhouden. Dit geldt temeer nu er in bedoelde brief op wordt gewezen dat volgens de moeder haar problematiek momenteel minder sterk aanwezig zou zijn vanwege een stabiele omgeving. In de brief wordt er evenwel op gewezen dat wanneer de moeder onder druk komt te staan, zoals bijvoorbeeld na het verbreken van een relatie en bij angst voor verlating, de persoonlijkheidsproblematiek (borderline stoornis) meer manifest zal worden. De vader zal op grond van de door de rechtbank uitgesproken strafrechtelijke veroordeling naar eigen zeggen nog tot 1 november 2009 gedetineerd zijn, waarna nog een proeftijd zal ingaan waaraan volgens de vader een voorwaardelijke TBS- maatregel is verbonden. Dit betekent dat de vader over niet al te lange tijd weer in vrijheid zal worden gesteld. Gelet op de indringende wijze waarop de vader tijdens de zitting bij het hof oogcontact zocht met de moeder, en de psychische toestand van de moeder, acht het hof het zeker niet uitgesloten dat de moeder na de vrijlating van de vader weer in zijn invloedssfeer zal komen te verkeren, waarmee het risico bestaat dat kinderen (opnieuw) niet aan de invloed van de vader zullen worden onttrokken. 4.8. Op grond van al het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen en dat gevreesd moet worden dat de moeder zonder de ontheffing niet in staat zal zijn de kinderen te beschermen tegen de invloed van de vader, ook al is hij ontzet van het gezag over de kinderen. In het licht van het vorenstaande is een maatregel van ondertoezichtstelling, al dan niet in combinatie met een uithuisplaatsing, een volstrekt onvoldoende maatregel. Het belang van de kinderen verzet zich niet tegen de ontheffing van de moeder van het gezag. Aldus is voldaan aan art. 1:266 BW jo. art. 268 lid 2 sub b BW. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd. 5. De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 1 juli 2008. Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Everaars-Katerberg en Hompus en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.