Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0718

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHV 200.015.696/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Echtscheiding op verzoek vrouw separaat uitgesproken door de rechtbank. Appel man hiertegen. Band tussen verzoek echtscheiding en nevenverzoeken. Geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat deze band gehandhaafd moet worden


Uitspraak

MS 15 januari 2009 Sector civiel recht Zaaknummer: HV 200.015.696/01 Zaaknummer eerste aanleg: 186121 FA RK 08-900 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. H. Weinans, t e g e n [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W.H.P. de Jongh. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 14 juli 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 oktober 2008, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man heeft verzocht die beschikking te vernietigen en alsnog de vrouw in haar verzoek om de echtscheiding op voorhand uit te spreken af te wijzen, althans zodanige voorziening te geven als het hof juist acht. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 oktober 2008, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. H. Weinans; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. W.H.P. de Jongh. Mevrouw I. Parchina is voor de vrouw opgetreden als tolk in de Russische taal nadat zij daartoe op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte heeft afgelegd. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift; - de brief d.d. 13 november 2008 met bijlagen van de advocaat van de man; - het faxbericht van 26 november 2008 met bijlage van de advocaat van de vrouw. Hoewel laatstgenoemd faxbericht met bijlage niet binnen de in artikel 1.4.3. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn is overgelegd en namens de man hiertegen bezwaar is gemaakt, heeft het hof van de inhoud daarvan toch kennis genomen, nu de bijlage een beschikking betreft van de rechtbank Breda van 18 november 2008 waarvan de inhoud reeds aan de man bekend was en deze niet binnen de gestelde termijn ter griffie van het hof had kunnen inkomen. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. De man en de vrouw zijn op 18 september 2002 in Roosendaal met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. 4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing voor het overige, te weten ten aanzien van de verzoeken van de vrouw tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en bepaling dat de man de huurder van de echtelijke woning zal zijn en het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen onderhoudsbijdrage van € 2.000,- per maand, aangehouden. De rechtbank heeft bij haar beslissing in aanmerking genomen dat de vrouw bij brief, die is ingekomen ter griffie van de rechtbank op 3 juli 2008, heeft verzocht om reeds thans tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en de behandeling van de zaak voor het overige aan te houden. In dit verband heeft de vrouw aangevoerd dat zij aanleiding heeft om te veronderstellen dat de man op dit moment schulden maakt. Na het uiteengaan van partijen is een huurschuld ontstaan met betrekking tot de woning die door de man werd bewoond en de vrouw heeft uit betrouwbare bron vernomen dat de man geldleningen aangaat, aldus de vrouw. De man heeft bij faxbericht van 10 juli 2008 de rechtbank bericht dat hij zich niet kan verenigen met het verzoek van de vrouw om de echtscheiding tussen partijen bij vervroeging uit te spreken. De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw haar uitdrukkelijke verzoek om de echtscheiding thans uit te spreken met argumenten heeft omkleed en dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij bezwaar tegen dit verzoek heeft. De man kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. 4.3. Bij beschikking van de rechtbank Breda van 28 oktober 2008 (met kenmerk: 193670 FA RK 08-4004) heeft de rechtbank de gemeenschap van goederen van partijen opgeheven met ingang van 24 september 2008. 4.4. De rechtbank Breda heeft in de echtscheidingsprocedure bij beschikking van 18 november 2008 (met kenmerk: 186121 FA RK 08-900) het (neven)verzoek van de man tot vaststelling van een bijdrage in zijn levensonderhoud afgewezen, de man in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 23 december 2008 een verweerschrift in te dienen naar aanleiding van de door de vrouw verzochte vaststelling van de verdeling van gemeenschappelijke goederen en iedere verdere beslissing aangehouden. 4.5. In zijn beroepschrift stelt de man onder meer dat weliswaar in de loop van de procedure een huurachterstand is ontstaan en wel in november 2007 (de vrouw was op dat moment alleenverdienende), doch hij voert tevens aan dat hij na het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning, eind februari 2008, het bedrag van de huurachterstand volledig heeft betaald. Verder is de stelling van de vrouw dat de man schulden maakt onjuist, aldus de man. De man stelt daarnaast dat hij er belang bij heeft dat op het verzoek tot echtscheiding en de nevenverzoeken in één beschikking wordt beslist. Ter zitting van het hof is namens de man erkend dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Hij stelt dat hij evenwel een procestechnisch en een materieel belang heeft om de echtscheiding niet reeds nu te laten uitspreken. Het procestechnisch belang is dat door een gelijktijdige beslissing op zowel het echtscheidingsverzoek als de nevenverzoeken, versnipperde beslissingen waarvan weer afzonderlijk in beroep en in cassatie kan worden gekomen, kunnen worden voorkomen. Het materiële belang is dat de man bij het op een later tijdstip uitspreken van de echtscheiding een groter rendement op zijn investeringen die hij in de onderneming van de vrouw heeft gedaan, zal krijgen. De man heeft de verwachting dat over een jaar de onderneming van de vrouw meer waard zal zijn dan thans het geval is. Indien de echtscheiding later wordt uitgesproken, zal ook de waardebepaling van de onderneming in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op een later tijdstip plaatsvinden. De grieven van de man dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en dat de rechtbank bewijsregels heeft geschonden, heeft de man ter zitting ingetrokken. De man stelt tenslotte dat het voor hem ondraaglijk is om te scheiden op basis van leugens over schulden en leningen zoals thans is geschied. 4.6. In het verweerschrift heeft de vrouw gesteld dat de reden van het verzoek om de echtscheiding uit te spreken een oplopende huurachterstand vanaf februari 2008 en de wijze van omgaan met schulden en het maken van schulden door de man was. Daarnaast is de algehele handelwijze van de man van belang, waarbij hij er niet voor heeft teruggedeinsd om zich in de procedure te bedienen van brieven van onder andere een internist en een school - waarvan de man later zelf heeft moeten toegeven dat niet de internist respectievelijk de school deze brieven hebben geschreven, maar de man zelf. De inhoud van deze door de man geschreven brieven was zeer grievend jegens de vrouw. Niet duidelijk is welk belang de man bij een gelijktijdige beslissing op alle verzoeken heeft, dan wel welk belang de man heeft bij het pas in een later stadium uitspreken van de echtscheiding. Nu de man zich niet heeft verzet tegen de echtscheiding, heeft de man geen redelijk en objectief vast te stellen belang om de beslissing tot echtscheiding verder te doen uitstellen, aldus de vrouw. Ter zitting van het hof is namens de vrouw gesteld dat indien de rechtbank de echtscheiding niet op voorhand had uitgesproken, de rechtbank deze waarschijnlijk bij beschikking van 18 november 2008 zou hebben uitgesproken. Voorts wordt aangevoerd dat uit de namens de man overgelegde brief van 8 september 2008 van de accountant-administratieconsulent enkel blijkt dat de man de huur in de maanden december 2007 en de maanden januari en februari 2008 heeft voldaan en niet dat hij thans geen huurschuld meer heeft. De vrouw vindt het bovendien dubieus dat de man de tijd die met de echtscheidingsprocedure gemoeid gaat wil rekken om er financieel gewin uit te halen. Zij voert aan dat het ook nog maar de vraag is of haar onderneming te zijner tijd meer waard zal zijn, gezien de huidige economische situatie, het feit dat haar onderneming afhankelijk is van één klant en zij door de echtscheidingsperikelen minder tijd aan de onderneming kan besteden. 4.7. Het hof overweegt als volgt. 4.7.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. De man heeft de door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen erkend, zodat de echtscheiding op de juiste grond is uitgesproken. 4.7.2. Ingevolge artikel 827 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter, ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken, nevenvoorzieningen treffen. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat indien eenmaal door de rechter in eerste aanleg de echtscheiding is uitgesproken voordat over verzochte nevenvoorzieningen is beslist, het hoger beroep slechts op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden aangewend teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. Het moet dan wel om heel bijzondere omstandigheden gaan (zie o.a. HR 2 april 1999, NJ 1999, 656 en HR 20 januari 2006, NJ 2006, 76). 4.7.3. Wat betreft het door de man aangevoerde procestechnische belang bij gelijktijdige afdoening van het verzoek tot echtscheiding en de nevenverzoeken, overweegt het hof dat het voorkomen van meerdere beschikkingen op zichzelf niet een bijzondere omstandigheid is als hiervoor bedoeld. Wat betreft het door de man aangevoerde materiële belang overweegt het hof dat het mogelijk fluctueren van de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap evenmin een bijzondere omstandigheid is die herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenverzoeken rechtvaardigt. Fluctuatie van de waarde van (bestanddelen van) een huwelijksgoederengemeenschap is geen uitzonderlijk gegeven. 4.7.4. Het hof overweegt dat - afgezien van het feit dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat de band tussen het echtscheidingsverzoek en de nevenverzoeken wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken – de man geen belang (meer) heeft bij zijn hoger beroep nu de rechtbank de echtscheiding bij de onder 4.4. vermelde (vervolg)beschikking van 18 november 2008 zou hebben uitgesproken indien zij dit niet reeds bij de bestreden beschikking zou hebben gedaan. Ook in dat geval zou de band tussen de echtscheiding en het nevenverzoek betreffende de verdeling verbroken zijn, gelet op de aanhouding van de beslissing op het betreffende nevenverzoek om de in die beschikking vermelde redenen. Bovendien heeft de rechtbank Breda bij beschikking van 28 oktober 2008 de gemeenschap van goederen van partijen opgeheven met ingang van 24 september 2008. Hieraan doet niet af dat de man naar zijn zeggen hoger beroep tegen deze beschikking zal instellen. 4.7.5. Voorts overweegt het hof dat, nu er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen, terwijl van bijzondere omstandigheden om het echtscheidingsverzoek gelijktijdig met de nevenverzoeken te behandelen niet is gebleken, verder in het midden kan blijven of er sprake is van leugens zoals de man stelt en of de rechtbank op de juiste gronden de echtscheiding op verzoek van de vrouw separaat heeft uitgesproken. Het hof is overigens van oordeel dat de man door overlegging van de brief van 8 september 2008 van de accountant-administratieconsulent, niet heeft weerlegd dat er geen huurschuld is ontstaan na het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning. 4.7.6. Het hof ziet overigens aanleiding om de beschikking met verbetering van rechtsgrond te bekrachtigen. De man heeft namelijk met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding - in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking heeft overwogen - geen rechtskeuze voor Nederlands recht gedaan. Ook de vrouw heeft hieromtrent niets aangevoerd. De rechtbank heeft derhalve op het verzoek tot echtscheiding op een onjuiste grond het Nederlands recht van toepassing verklaard. Het hof zal ambtshalve de rechtsgrond verbeteren. Het hof acht het Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing, nu partijen beiden de Nederlandse nationaliteit bezitten, terwijl voor de vrouw, die tevens de Russische nationaliteit bezit, de Nederlandse nationaliteit als de effectieve nationaliteit dient te worden aangemerkt mede doordat zij in Nederland woonachtig en – hoofdzakelijk – werkzaam is. Dientengevolge is op grond van artikel 1, lid 1 sub a, jo. artikel 1 lid 3 Wet Conflictenrecht Echtscheiding het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten en daarmee in dit geval het Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. 4.7.7. Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen met ambtshalve verbetering van de rechtsgrond waarop het Nederlands recht van toepassing is verklaard op het verzoek tot echtscheiding. 5. De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 14 juli 2008 met verbetering van de rechtsgrond waarop het Nederlands recht van toepassing is verklaard op het verzoek tot echtscheiding. Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2009.