Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0716

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-23
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHV 200.016.828/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

- ontvankelijkheid - geen verschoonbare termijnoverschrijding - uitspraak “over twee weken” voldoende duidelijk


Uitspraak

JN 15 januari 2009 Sector civiel recht Zaaknummer HV 200.016.828/01 Zaaknummer eerste aanleg 06/96 R GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Arrest in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant, hierna: [X.] advocaat: mr. C.A. Gobbens. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 14 oktober 2008, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2008, heeft [X.] verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en te verstaan dat op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing blijft. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2008. Bij die gelegenheid is gehoord: - [X.], bijgestaan door zijn advocaat mr. C.A. Gobbens. De bewindvoerder, E. van Uijthoven, is met bericht van verhindering niet verschenen. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 30 september 2008; - de brief van 10 november 2008 met bijlagen, van mr. Gobbens; - de brief van 8 december 2008 met bijlagen, van E. van Uijthoven, hierna: de bewindvoerder; - de brief van 10 december 2008 met bijlagen, van mr. Gobbens. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Bij vonnis van de rechtbank Breda van 30 januari 2006 is ten aanzien van [X.] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Op verzoek van de bewindvoerder is de schuldsaneringsregeling bij het vonnis waarvan beroep tussentijds beëindigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat genoegzaam is komen vast te staan dat [X.] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en dat hij bovenmatig schulden heeft laten ontstaan. Ontvankelijkheid 4.2. Het vonnis waarvan beroep is op 14 oktober 2008 uitgesproken. [X.] had op grond van artikel 355 lid 1 Fw gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak de gelegenheid tot het instellen van hoger beroep, derhalve tot en met woensdag 22 oktober 2008. Het beroepschrift van [X.] is evenwel op 28 oktober 2008 bij de griffie van het hof binnengekomen, zodat sprake is van een termijnoverschrijding, welke in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van [X.] in zijn hoger beroep. 4.3.1. [X.] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat het hoger beroep weliswaar buiten de wettelijke termijn is ingediend, doch dat de overschrijding van deze termijn hem niet kan worden tegengeworpen. [X.] stelt dat hem ter zitting werd meegedeeld dat het vonnis per post zou worden toegezonden, maar dat een concrete datum voor de uitspraak niet werd genoemd. [X.] stelt voorts dat hij medio oktober 2008 op zijn bankafschrift constateerde dat zijn werkgever op 10 oktober 2008 de gebruikelijke boedelbijdrage op zijn salaris had ingehouden, waaruit hij toen concludeerde dat de schuldsanering gewoon zou doorlopen en dat het verzoek van de bewindvoerder was afgewezen. Toen [X.] op 24 oktober 2008 naar de rechtbank belde omdat hij nog steeds geen vonnis had ontvangen, werd hem meegedeeld dat het vonnis al naar hem was toegezonden. [X.] stelt het vonnis uiteindelijk op 27 oktober 2008 te hebben ontvangen. 4.3.2. Ter zitting van het hof heeft [X.] verklaard dat hem aan het eind van de zitting in eerste aanleg geen briefje is meegegeven waarop een datum voor de uitspraak was vermeld en/of waarin een beroepstermijn was gesteld. [X.] heeft voorts verklaard dat hem aan het eind van de zitting in eerste aanleg wel is meegedeeld dat de beslissing over twee weken zou worden gegeven. [X.] heeft ter zitting bevestigd dat hij medio oktober 2008, toen hij kennis nam van het bankafschrift waaruit bleek dat zijn werkgever op 10 oktober 2008 het salaris had overgemaakt onder de gebruikelijke inhouding van de boedelbijdrage, in de veronderstelling verkeerde dat de rechter in eerste aanleg een -voor hem gunstige- beslissing had genomen. 4.4. De bewindvoerder heeft aangegeven dat zij het vonnis van de rechtbank op 23 oktober 2008 heeft ontvangen. 4.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling. 4.5.1. Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan omtrent het tijdstip waarop een beroepstermijn aanvangt (en eindigt) en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Onder omstandigheden kan er sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Hoge Raad acht een uitzondering gerechtvaardigd ingeval degene die beroep instelt, ten gevolge van een door de (griffie van) het betreffende gerecht begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. 4.5.2. Ter beoordeling staat of er in casu sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Het hof is namelijk van oordeel dat niet voldaan is aan het eerste door de Hoge Raad gestelde vereiste dat [X.] als gevolg van een fout of verzuim van de griffie van de rechtbank niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechtbank het vonnis had uitgesproken. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 30 september 2008 staat vermeld: “De rechter-commissaris sluit de behandeling en bepaalt dat over twee weken een beslissing zal worden gegeven”. [X.] heeft ter zitting van het hof bevestigd dat de rechter ter zitting in eerste aanleg heeft gemeld dat er over twee weken een beslissing zou worden gegeven. Gelet hierop wist [X.], althans kon [X.] redelijkerwijs weten dat de rechtbank op 14 oktober 2008 in zijn zaak uitspraak zou doen. Het hof is van oordeel dat daarvoor niet vereist is dat de rechtbank een concrete uitspraakdatum noemt. Het hof ziet om die reden ook geen aanleiding de zaak aan te houden teneinde terzake de bewindvoerder te horen. Aldus is het hof van oordeel dat hier geen sprake is van een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Vaststaat dat het vonnis op 22 oktober 2008, de laatste dag van de beroepstermijn, is verzonden. Dat [X.] als gevolg van een niet aan [X.] toe te rekenen fout of verzuim het vonnis pas na het verstrijken van de beroepstermijn heeft ontvangen, brengt het hof niet tot het oordeel dat desondanks sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. 4.6. Het hof zal [X.] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep. Het hof komt niet toe aan de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. 5. De uitspraak Het hof: verklaart [X.] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2008.