Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0613

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4414 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag voor schatting. Geschiktheid geselecteerde functies. Door betrokkene geen medische onderbouwde gegevens ingebracht.


Uitspraak

07/4414 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 juli 2007, 05/1197 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. 1.2. Bij besluit van 20 september 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke sinds 15 mei 2001 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 21 november 2004 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 30 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 september 2004 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de schatting terecht heeft gebaseerd op de door de verzekeringsarts G. Abeling opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 juli 2004 waarin de belastbaarheid van appellante per 21 november 2004 is vastgelegd. De rechtbank heeft wat betreft de medische kant van de schatting doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapportage van de door haar benoemde deskundige reumatoloog D.M. Hofman, die heeft geconcludeerd dat appellante, rekening houdend met de op de FML weergegeven beperkingen, geschikt is te achten voor de haar voorgehouden functies. De deskundige heeft daarbij eigen onderzoek gedaan en informatie ingewonnen bij appellantes reumatoloog P.J.H. Lanting, die bij onderzoek in 2003 de diagnose fibromyalgie heeft gesteld en is tot de conclusie gekomen dat er beperkingen gelden voor zware lichamelijke arbeid, maar dat er geen reden is om een urenbeperking aan te nemen. 3.1. In dit geding is aan de orde of de rechtbank terecht en op goede gronden het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard, nu appellante daarvan in hoger beroep is gekomen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. 3.2. In hoger beroep heeft appellante aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Zij heeft gedurende de gehele procedure en ook na ontvangst van het deskundigenrapport aangegeven dat zij nog steeds ernstige beperkingen ondervindt, en dat zij alles eraan doet om een en ander dragelijk te maken, doch dat dit onvoldoende bijdraagt aan een verbetering van haar situatie. 3.3. De Raad oordeelt dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen, noch aanleiding geeft tot het instellen van een nader medisch onderzoek. Aan appellantes eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien. 4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) D.J. van der Vos. (get.) I.R.A. van Raaij. KR