
Jurisprudentie
BH0567
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3492 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3492 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. In aanmerking genomen de eerst in beroep gegeven aanvullende motiveringen achtte de rechtbank het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd, hetgeen leidde tot vernietiging bestreden besluit met opdracht een nieuw besluit te nemen. Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Omvang geding. Medische beoordeling niet meer aan de orde. Awb kent geen incidenteel appel. In eerste aanleg toereikende arbeidskundige toelichting gegeven. De Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen in plaats van te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand konden worden gelaten. Dienovereenkomstig dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd en in plaats daarvan evenbedoelde bepaling te worden gegeven.
Uitspraak
07/3492 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 mei 2007, 06/2575 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. C.H.J. Voncken-Crijns, werkzaam bij de in Tilburg gevestigde Stichting Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend. Afgaande op een kennisgeving van niet-verschijnen van betrokkene op de aanvankelijk geplande zitting van 31 oktober 2008 is mr. B.A. van der Veer, werkzaam bij de eveneens in Tilburg gevestigde Stichting Achmea Rechtsbijstand, haar opvolgend gemachtigde.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2005.
Namens appellant is verschenen A.G. Lavrijsen. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene is op 12 april 1999 uitgevallen voor haar werk als medewerker productontwikkeling als gevolg van een schedelbasisfractuur na een val van een paard. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan haar met ingang van
10 april 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met het aanvaarden van werkzaamheden in een ruitersportzaak voor 12 uur per week is de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 19 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
2. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 29 september 2005 zijn voor betrokkene beperkingen vastgesteld, welke werden weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd in het rapport van 16 november 2005 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 7,92%. In dit rapport werd tevens in algemene zin aangegeven dat de functies voor betrokkene passend zijn omdat zij regelmatig de houding kan afwisselen en zitten met staan en lopen kan worden afgewisseld. Vervolgens trok het Uwv bij besluit van
17 november 2005 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 17 januari 2006 in.
3. In de bezwaarprocedure onderschreef de bezwaarverzekeringsarts het in overweging 2 vermelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de FML. De bezwaararbeidsdeskundige liet in zijn rapport van 22 maart 2006 de functieduiding op basis van de SBC-codes 342022, 342021 en 111160 in stand, zij het dat binnen die codes gedeeltelijk andere functies werden geselecteerd. Het verlies aan verdienvermogen kwam uit op 7,3%. Vervolgens verklaarde appellant het door betrokkene tegen het besluit van 17 november 2005 gemaakte bezwaar bij besluit van 10 april 2006 ongegrond.
4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 10 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit, bepaalde dat appellant een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van haar uitspraak en gaf beslissingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten.
4.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij zag in het feit dat de FML niet geheel juist was ingevuld en dit in beroep was hersteld, waardoor nu ook bijvoorbeeld het item 4.17 “hoofdbewegingen maken”, waarvoor aanvankelijk een beperkende toelichting was opgenomen, als beperkt werd aangegeven, niet reeds aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank oordeelde echter tevens dat met de aanvulling in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 januari 2007 op de motiveringen in de notitie bij de voorgeselecteerde functie portier en in de notities functiebelasting van 22 maart 2006 nog niet volledig was voldaan aan de eisen van de Raad, zoals neergelegd in zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (o.a. LJN AY9971). Zo miste de rechtbank een toelichting met betrekking tot het onderdeel zitten tijdens het werk. Gelet hierop en in aanmerking genomen de eerst in beroep gegeven aanvullende motiveringen achtte de rechtbank het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd, hetgeen haar tot de in 4.1 vermelde beslissing leidde.
5.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat alle beperkingen in de FML zijn meegenomen in de motivering die de geschiktheid van betrokkene voor de geduide functies inzichtelijk dient te maken. De gecorrigeerde items 1.1 en 4.17 zijn in het in 4.2 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige aanvullend gemotiveerd, terwijl het item 5.2.0 (zitten tijdens het werk) reeds in het arbeidskundig rapport van 16 november 2005 is toegelicht. Volgens appellant hadden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand moeten worden gelaten.
5.2. Namens betrokkene is in het verweerschrift wat betreft de medische argumenten verwezen naar de in eerdere fasen van de procedure ingebrachte stukken. Gesteld is dat appellant haar beperkingen onjuist heeft vastgelegd in de FML en dat voor haar een urenbeperking dient te gelden. Wat betreft de arbeidskundige grondslag onderschreef betrokkene de aangevallen uitspraak en stelde zij dat de signaleringen in de geduide functies nog steeds onvoldoende zijn toegelicht.
6.1. De Raad overweegt in de eerste plaats – onder verwijzing naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008 (LJN BG1621 – dat de in verweer herhaalde beroepsgronden met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit buiten de omvang van het geding in hoger beroep vallen. Zoals ook in evenvermelde uitspraak naar voren komt wordt de omvang van het geding in hoger beroep in beginsel bepaald door de gronden die de indiener van het hoger-beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. De beroepsgronden van appellant in hoger beroep betreffen het oordeel van de rechtbank over de motivering van de medische geschiktheid van de geduide functies. Voorts stelt de Raad op grond van de duidelijke bewoordingen van de aangevallen uitspraak vast dat de beroepsgronden van betrokkene in eerste aanleg tegen de medische grondslag van het bestreden besluit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud door de rechtbank zijn verworpen. Verder is, zoals ook in de uitspraak van 22 oktober 2008 is geoordeeld, van nauwe verwevenheid tussen de vraag of de functies in medisch opzicht geschikt zijn en de (daaraan voorafgaande) vraag of de schatting op een deugdelijke medische grondslag berust, geen sprake. Ook kan niet worden geoordeeld dat van betrokkene redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen. Nu de Beroepswet noch de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het rechtsmiddel van incidenteel appèl kent, had betrokkene – hetgeen trouwens ook naar voren komt in de voorlichtende overweging 14 van de aangevallen uitspraak - een zelfstandig belang bij het instellen van hoger beroep tegen het medisch oordeel van de rechtbank.
6.2. Wat betreft het oordeel van de rechtbank omtrent de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad met appellant weliswaar vast, dat in het arbeidskundig rapport van 16 november 2005 ten aanzien van het item zitten tijdens het werk reeds een voldoende toelichting was gegeven ten aanzien van de gewenst geachte houdingsafwisseling en de afwisseling van zitten met staan en lopen. Nu voorts eerst in beroep in het meergenoemde arbeidskundig rapport van 31 januari 2007 de beperking in de FML op het item 4.17 “hoofdbewegingen maken” van een afdoende toelichting is voorzien, stelt de Raad tevens vast dat de rechtbank ten onrechte appellant heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen in plaats van te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand konden worden gelaten. Dienovereenkomstig dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd en in plaats daarvan evenbedoelde bepaling te worden gegeven.
7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) R.L. Rijnen.
JL