
Jurisprudentie
BH0563
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3578 WIA
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3578 WIA
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Beperkingen van appellant zijn door een zorgvuldig medisch onderzoek niet onjuist vastgesteld. In verband met schouderklachten bevat de FML beperkingen in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Geschiktheid geduide functies.
Uitspraak
07/3578 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 mei 2007, 06/1444 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als accountmanager toen hij op 21 juni 2004 uitviel met schouderklachten.
1.2. De verzekeringsarts J.E. Schrader-Reinking heeft appellant op 13 april 2006 onderzocht. In het rapport van dit onderzoek van 20 april 2006 zijn onder andere de schouderklachten beschreven en is een lichte beperking in alle richtingen van de van de linkerschouder vastgesteld. Schrader-Reinking heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 april 2006. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R. Barhorst in een rapport van 5 mei 2006 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 5,18%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 10 mei 2006 geweigerd appellant met ingang van 19 juni 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
2. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden - na informatie te hebben opgevraagd bij huisarts
T. Sporrel en informatie van appellant te hebben gekregen van neuroloog M.E. van Egmond - op 2 november 2006 gerapporteerd. Peerden heeft na weging van het verhandelde ter hoorzitting en na weging van de beschikbare medische gegevens, waaronder de verkregen informatie van de huisarts en de neuroloog, gemotiveerd aangegeven waarom er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het medisch oordeel van de verzekeringsarts Schrader-Reinking. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (o.a. LJN AY9980) zijn er door Peerden wel enkele nuanceringen aangebracht in de FML. De bezwaararbeidsdeskundige J. Langebeeke heeft naar aanleiding van de aangepaste FML op
10 november 2006 opnieuw de geduide functies beoordeeld en een functie verworpen. Er resteerden volgens Peerden voldoende functies om de schatting op te baseren. Peerden heeft daarbij het verlies aan verdienvermogen berekend op 13,6%. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 mei 2006 bij zijn besluit van
13 november 2006 ongegrond.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 13 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de medische beoordeling door het Uwv onderschreven. Wat betreft het arbeidskundige aspect stelde de rechtbank vast dat het Uwv met de in beroep overgelegde rapportage van 2 april 2007 van bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam, waarin een nadere motivering is gegeven met betrekking tot de geduide functies, erkent dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk was. Dit leidde ertoe dat de functies productiemanager (SBC-code 713030) en zorgmanager (SBC-code 772030) vervielen zonder dat de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigde. Vervolgens overwoog de rechtbank dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies de medische beperkingen van appellant, zoals weergegeven in de FML, niet te boven gingen zodat er aanleiding bestond om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant in essentie dezelfde gronden als in bezwaar en eerste aanleg naar voren gebracht. Deze gronden komen erop neer dat appellant zich meer beperkt acht dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Tevens is appellant van mening dat hij met zijn klachten de geduide functies niet kan verrichten.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellant door een zorgvuldig medisch onderzoek niet onjuist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts die op 13 april 2006 het primaire medische onderzoek heeft verricht, heeft appellant beperkt geacht in verband met zijn schouderklachten. De FML bevat beperkingen in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Bezwaarverzekeringsarts Peerden heeft naar aanleiding van enkele beperkende toelichtingen op de normaalwaarden op
10 november 2006 een aangepaste FML opgesteld. Van aanknopingspunten in objectief-medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant ten tijde van de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen, is de Raad - evenals de rechtbank - niet gebleken. De Raad wil hierbij opmerken dat revalidatiearts
L.D.W. Vos in zijn brief van 16 april 2007 aangeeft dat psychische factoren een belangrijke rol lijken te spelen, maar deze brief dateert van ruim na de datum in geding zodat niet gesteld kan worden dat appellant op de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen.
5.3. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad van oordeel dat appellant, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat geacht moet worden tot het uitoefenen van de uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van artsenbezoeker/dierenartsenbezoeker (sbc-code 694020), arbeidsbemiddelaar/personeelsfunctionaris (sbc-code 763100) en parkeercontroleur (sbc-code 342022). Voorts overweegt de Raad dat door bezwaararbeidsdeskundige Van Dam, in beroep, voldoende is toegelicht waarom deze functies uiteindelijk aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd.
6.1. Uit het overwogene in 5.2 en 5.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.
6.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) R.L. Rijnen.
JL