Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0534

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAwb 08/1879 en 08/2027
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Last onder dwangsom om de acceptatie van (grof) huishoudelijk afval op bedrijfsperceel in Raalte te staken onvoldoende duidelijk geformuleerd. De aan de last ten grondslag liggende overtreding naar omvang, aard en (ruimtelijke) betekenis volstrekt onvoldoende in beeld gebracht en beschreven. Beroep gegrond en herroeping primaire besluit.


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter Registratienummers: Awb 08/1879 en 08/ 2027 Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen: Hoogeboom Raalte B.V., gevestigd te Raalte, verzoekster, gemachtigde: mr. J.C. van Nie en het college van burgemeester en wethouders van Raalte, verweerder, alsmede (…), derde partij. 1.Procesverloop Bij besluit van 10 april 2008, verzonden 14 april 2008, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Namens verzoekster is hiertegen bezwaar gemaakt op 28 april 2008. Bij besluit van 10 september 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Op 21 oktober 2008 is namens verzoekster beroep ingesteld. Op 21 november 2008 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft de op zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Het verzoek en het beroep zijn op 16 januari 2009 ter zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Nie voornoemd en G.H. Hoogenboom en M.H. Hoogenboom. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.B.M. Droste. De derde partij is niet verschenen. 2.Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Aangezien verweerder te kennen heeft gegeven niet langer een afwachtende houding aan te willen nemen ten aanzien van verzoekster, kan verzoekster een zeker spoedeisend belang niet worden ontzegd. 2.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Van die mogelijkheid wordt in dit geval gebruik gemaakt. 2.3. Verweerder heeft aan verzoekster gelast binnen zes weken na datum verzending van het besluit (verzenddatum is 14 april 2008) de acceptatie van (grof) huishoudelijk afval op het bedrijfs-perceel aan de Stobbenbroekerweg 16 te Raalte te staken. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 1.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 25.000,-. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of deze last onder dwangsom de rechterlijke toets kan doorstaan. 2.3.1. Bij de beoordeling gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster exploiteert een grondverzetbedrijf en puinbrekerij op het perceel Stobbenbroekerweg 16 te Raalte. Bij brief van 21 november 2007 heeft de derde partij verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het accepteren van (grof) huishoudelijk afval door verzoekster. Op 25 januari 2008 heeft verweerder verzoekster laten weten voornemens te zijn aan haar een last onder dwangsom op te leggen wanneer zij grof huishoudelijk afval accepteert. Naar aanleiding hiervan zijn door verzoekster zienswijzen ingediend. Hierna heeft verweerder het primaire besluit genomen, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit. 2.3.2. De voorzieningenrechter stelt in de eerste plaats vast, dat de last onder dwangsom zoals die is beschreven in het primaire besluit, slechts ziet op het accepteren van grof huishoudelijk afval. In het bestreden besluit op bezwaar ziet de last evenwel niet alleen op het accepteren van grof huishoudelijk afval, maar is deze uitgebreid met het verbod om huishoudelijk afval te accepteren. Aldus heeft verweerder gehandeld in strijd met het verbod op reformatio in peius. Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder erop gewezen dat in de aanhef van het primaire besluit met zoveel woorden is aangegeven dat de last ziet op het accepteren van grof huishoudelijk afval en huishoudelijk afval. Dat is op zichzelf juist, doch de voorzieningenrechter is van oordeel dat slechts aan het onderdeel van het besluit waarin de last (definitief) is omschreven en de hoogte van de dwangsom is vermeld doorslaggevende betekenis toekomt. Het bestreden besluit kan reeds hierom niet in stand blijven. 2.3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster - in strijd met het geldende bestemmingsplan - zowel huishoudelijk afval als grof huishoudelijk afval accepteert. Dat standpunt is gebaseerd op waarnemingen en foto’s van de derde partij en op verslagen van milieu-inspecteurs van de provincie. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat ambtenaren van de gemeente niet zelf hebben vastgesteld dat op het bedrijf van verzoekster (grof) huishoudelijk afval is aangenomen. De voorzieningenrechter is van oordeel, dat verweerder bij de bestreden besluitvorming de aan de last ten grondslag liggende overtreding naar omvang, aard en (ruimtelijke) betekenis volstrekt onvoldoende in beeld heeft gebracht en heeft beschreven. Er bestaat – zelfs nog ter zitting – hierover onvoldoende duidelijkheid. Daarbij komt dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt wat er precies onder grof huishoudelijk afval dient te worden verstaan, verzoekster daarbij in het ongewisse latend welke materialen wel mogen worden aangenomen en welke niet. Zulks klemt te meer, nu gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegegeven dat het onderscheid tussen bijvoorbeeld grof huishoudelijk afval en bouw- en sloopafval - dat bij verzoekster meestal in één partij wordt aangeboden - niet altijd even duidelijk te maken is. Voornoemde onduidelijkheden hebben ertoe geleid dat de last onvoldoende duidelijk is geformuleerd. Bovendien heeft verweerder bij het ontberen van een duidelijke (vastgelegde) feitelijke grondslag geen juiste belangenafweging bij het al of niet opleggen van de last kunnen maken en niet afdoende kunnen motiveren of er kan worden gelegaliseerd. Voorts is – zoals ter zitting is gebleken - in het ongewisse gebleven in hoeverre er feitelijk sprake is van voortgaand gebruik dat onder het overgangsrecht valt. Er is strijd met de artikelen 3:2, 3:4, 3:46 en 7:12 van de Awb. 2.3.4. Met inachtneming van het bovenstaande is rechtens nog maar één uitspraak mogelijk. De voorzieningenrechter zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien. Het beroep van verzoekster dient gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank, doende wat verweerder had behoren te doen, verklaart het bezwaar van verzoekster van 28 april 2008 gegrond, herroept het besluit van 10 april 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook geen aanleiding meer. 2.4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd. 3.Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het bestreden besluit; -bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; -herroept het primaire besluit van 10 april 2008; -veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ad € 644,--, te betalen door de gemeente Raalte; -wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. -gelast dat de gemeente Raalte aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad 2 x € 288,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier, op Afschrift verzonden op: