
Jurisprudentie
BH0513
Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2766
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2766
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen recht op compensatie voor mislopen "Vendrik-effect" ingevolge beëindigingsovereenkomst.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 08/2766
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 19 januari 2009
inzake
[X], eiser,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.F.E. Bongers,
tegen
het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 7 mei 2008.
2. Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2007 heeft verweerder eiser op zijn verzoek eervol ontslag verleend als ambtenaar in vaste dienst van Waterschap Rivierenland onder voorbehoud van de feitelijke toekenning van een FPU-uitkering per 1 december 2007 door de Stichting Pensioenfonds ABP.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 11 december 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bongers voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [A], werkzaam bij het waterschap Rivierenland, en door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te `s-Hertogenbosch.
3. Overwegingen
Eiser was tot 1 januari 2005 werkzaam bij het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden (verder: het hoogheemraadschap) in de functie van [functienaam]. Per 1 januari 2005 is het hoogheemraadschap opgegaan in het waterschap Rivierenland (verder: het waterschap).
Met het oog op de gevolgen van deze fusie voor de functie van eiser is op 16 januari 2004 een overeenkomst gesloten tussen eiser en het hoogheemraadschap. Samengevat en voor zover in dit geding van belang, is daarbij overeengekomen dat eiser op de datum van opheffing van het hoogheemraadschap wordt ontheven uit zijn functie en gelijktijdig wordt aangesteld in algemene dienst van het waterschap, welke aanstelling eindigt op het moment dat eiser gebruik gaat maken van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (hierna: FPU-regeling) uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP).
Tot die tijd is eiser vrijgesteld van de verplichting om werkzaamheden te verrichten en is doorbetaling van 100% van zijn toenmalige bezoldiging, telkens aan te passen aan algemene salarismaatregelen, gegarandeerd. Voorts wordt de volledige netto pensioenopbouw gegarandeerd, zowel tot aan het moment waarop eiser van de FPU-regeling gebruik moet maken als daarna tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Eiser is verplicht om bij het bereiken van de leeftijd waarop hij van de FPU-regeling gebruik kan maken tegen een uitkeringspercentage van 100, de zogenaamde spilleeftijd, gebruik te maken van de FPU-regeling.
Ter uitvoering van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichting heeft eiser bij brief van 26 november 2006 verzocht om eervol ontslag per 1 december 2007, onder het voorbehoud dat de FPU-regeling per die datum voor hem van kracht wordt. Daarbij heeft eiser tevens aan verweerder verzocht om inzicht te verschaffen in de wijze waarop de overeengekomen pensioencompensatie zal worden geëffectueerd, en aan te geven op welke wijze eiser daartegen bezwaar zal kunnen maken.
Bij besluit van 3 december 2007 heeft verweerder eiser, met toepassing van artikel 8.1.10, eerste lid, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel, eervol ontslag verleend met ingang van 1 december 2007, onder voorbehoud van de feitelijke toekenning van een FPU-uitkering per die datum.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat was gebleken van een verschil van interpretatie van de overeenkomst voor wat betreft de pensioenaanspraken. Bij het bestreden besluit is het ontslag gehandhaafd.
Beoordeeld moet worden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Vooropgesteld wordt dat voormelde overeenkomst de neerslag vormt van afspraken die tussen partijen zijn gemaakt over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband. Het is vaste jurisprudentie dat deze afspraken in de tussen eiser en verweerder bestaande ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding moeten worden aangemerkt als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan verweerder toekomende ontslagbevoegdheid. Aan deze ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor de overheid maar ook voor de ambtenaar geldt. Dit beginsel brengt voor verweerder met zich dat hij bij zijn besluitvorming in beginsel de gemaakte afspraken in acht dient te nemen (zie onder meer Centrale Raad van Beroep 4 november 2004, LJN: AR6107).
Voor de beantwoording van de vraag of verweerder al dan niet bevoegd was tot ontslagverlening over te gaan, dient derhalve te worden beoordeeld of verweerder de overeenkomst is nagekomen.
De tussen de partijen gemaakte afspraken ten aanzien van eisers pensioenaanspraken zijn neergelegd in artikel 4 van de overeenkomst, dat luidt:
"Het waterschap garandeert de werknemer voorts de volledige netto pensioenopbouw tot aan het moment waarop betrokkene ingevolge deze overeenkomst van de FPU-regeling gebruik moet maken. Daarna wordt een volledige pensioenopbouw tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd gegarandeerd."
Tussen de partijen is in geschil of hieruit voortvloeit dat eiser door verweerder gecompenseerd moet worden voor het mislopen van het zogenaamde Vendrik-effect. Dit effect ontleent zijn naam aan het amendement Vendrik bij het wetsvoorstel Aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL). De Wet VPL inclusief het amendement Vendrik is op 1 januari 2006 in werking getreden. In het amendement Vendrik is onder meer geregeld dat het uitkeringspercentage van VUT- en prepensioenuitkeringen hoger wordt naarmate men later uittreedt. De FPU-regeling voorzag sinds februari 2003 al in een dergelijke regeling. Dit betrof echter alleen het opbouwdeel van de FPU-uitkering. Daarbij was voorts bepaald dat het opbouwdeel van niet genoten FPU-uitkering werd overgeheveld naar het ouderdomspensioen, ook wel uitruil genoemd. Als gevolg van het amendement Vendrik geldt dit per 1 januari 2006 ook voor het basis- en het garantiedeel van de FPU-uitkering. Aangezien eiser met ingang van de spilleeftijd een FPU-uitkering heeft genoten en dus niet langer heeft doorgewerkt, staat vast – en is ook niet in geschil – dat eiser geen recht heeft op toevoeging van de niet genoten FPU-uitkering aan zijn ouderdomspensioen van het ABP. Zoals hiervoor is overwogen ligt thans de vraag voor of verweerder op grond van de gemaakte afspraken inzake pensioenopbouw gehouden is het mislopen van het Vendrik-effect te compenseren.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij wordt vooropgesteld dat het bij de uitleg van een overeenkomst zoals hier aan de orde, niet uitsluitend aankomt op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie CRvB 22 mei 2008, LJN: BD2813).
Anders dan eiser meent, kan naar het oordeel van de rechtbank uit de overeenkomst van 16 januari 2004 redelijkerwijs niet worden afgeleid dat aan hem een ouderdomspensioen is gegarandeerd als ware er tot 65 jaar doorgewerkt. De rechtbank is van oordeel dat het opnemen in de overeenkomst van een garantie van volledige pensioenopbouw tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd, moet worden bezien tegen de achtergrond dat normaliter wanneer een FPU-uitkering wordt genoten geen verdere opbouw van ouderdomspensioen plaatsvindt. Eisers betoog dat deze garantie redelijkerwijs tevens ziet op genoemde uitruil, treft geen doel. Aangezien het genieten van een FPU-uitkering vanaf de spilleeftijd tot gevolg heeft dat geen uitruil plaatsvindt, had het op de weg van eiser gelegen om uitdrukkelijk te bedingen dat verweerder (naast de reguliere pensioenopbouw ook) deze uitruil zou garanderen. Dat de Wet VPL eerst na de totstandkoming van de overeenkomst in werking is getreden, maakt dat niet anders nu een soortgelijke regeling voor het opbouwdeel van de FPU-uitkering reeds bestond.
Dat aan eiser een ouderdomspensioen is gegarandeerd als ware er tot 65 jaar doorgewerkt volgt evenmin uit de inhoud van de brief die het hoogheemraadschap op 31 december 2004 aan verweerder heeft gezonden, noch uit de brief van verweerder aan eiser van 12 april 2006 waarin is aangegeven dat de denklijn in voormelde brief van 31 december 2004 door verweerder wordt onderschreven. Nu daarin geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, is van schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat verweerder de gemaakte afspraken in acht heeft genomen en dientengevolge bevoegd was zonder nadere compensatie tot ontslagverlening over te gaan. De stellingen van eiser tegen het bestreden besluit treffen dan ook geen doel, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans als voorzitter, mr. F.H. de Vries en mr. M. Groverman als rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2009 in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6.24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 19 januari 2009