Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0506

Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2555
Statusgepubliceerd


Indicatie

Stage bij het arbeidstrainingscentrum (ATC-traject) wordt door verweerder terecht niet gezien als arbeid.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 08/2555 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 19 januari 2009 inzake [X], eiser, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.L. Mijnssen, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 21 april 2008. 2. Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2008 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 7 maart 2008 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 28 februari 2008 gehandhaafd. Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 12 december 2008. Eiser en zijn gemachtigde mr. A.L. Mijnssen, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland te Apeldoorn, zijn met kennisgeving afwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels, werkzaam bij het UWV Arnhem. 3. Overwegingen Eiser is in 1995 met rug- en longklachten uitgevallen in zijn functie van stratenmaker. Per einde wachttijd ontvangt eiser een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarnaast ontvangt eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Eiser volgt met ingang van 15 oktober 2007 een stage bij het arbeidstrainingscentrum (ATC-traject) waarbij een vooruitzicht is op een baan op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Op 4 januari 2008 heeft eiser zich ziek gemeld vanwege rug- en longklachten en psychische klachten en valt hij in dit ATC-traject uit. Vervolgens heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 7 maart 2008 geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat eiser in staat wordt geacht zijn arbeid te verrichten. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Onder “zijn arbeid” dient volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) te worden verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de ongeschiktheid heeft verricht. Eerst wanneer verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziektegeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, geldt als maatstaf “gangbare arbeid”, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van eisers aanspraak op een uitkering voor de WAO (zie CRvB 4 maart 2003, LJN AF6192). De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht van is uitgegaan dat het ATC-traject niet gezien kan worden als arbeid. Voor het onderhavige geval betekent dit dat ter zake van eisers ziekte per 4 januari 2008 als maatstaf dient te worden bepaald de arbeid die voor eiser vanaf 1 juni 2005 als passend kan worden aangemerkt, te weten de functies van: productiemedewerker textiel, geen kleding (excl. patroontekenen, in- en verkoop) (sbc-code 272043), textielproductenmaker (geen machines bedienen) (sbc-code 111160) en productiemedewerker (samensteller van producten) (sbc-code 111180). Eiser is eerst ongeschikt voor deze arbeid als hij ongeschikt is elk van de hiervoor genoemde functies te vervullen. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten en dat zijn medische situatie is verslechterd vanaf het moment dat hij op advies van het UWV is gaan sporten en dat hij niet in staat is te werken wegens rug- en longklachten en psychische klachten. De rechtbank is op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van verzekeringsarts B. Balata van 27 februari 2008 en de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 16 april en 9 oktober 2008, van oordeel dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder in het bestreden besluit neergelegde conclusie dat eiser per 7 maart 2008 in staat moet worden geacht om zijn arbeid te verrichten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Door eiser is aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn fysieke en psychische klachten, in welk verband rapporten van anesthesioloog M.J.J.M. de Bock en longarts E.F. Ullmann in het geding zijn gebracht. Voorts wijst eiser op de in bezwaar overgelegde verklaring van re-integratiecoach [A]. De rechtbank onderschrijft deze stelling niet, aangezien voornoemde informatie reeds door de bezwaarverzekeringsarts is meegewogen in voornoemde rapportages en daarnaast van de zijde van eiser geen nadere medische stukken in geding zijn gebracht die steun geven aan zijn opvatting dat op de datum in geding van verdergaande beperkingen zou moeten worden uitgegaan. De rechtbank verenigt zich daarom met de door verweerder ten aanzien van eiser in aanmerking genomen beperkingen waarbij eiser is aangewezen op werk waarbij zware en statische belasting dient te worden vermeden en een schone luchtomgeving. De bovenvermelde geduide functies voldoen hieraan volgens de bezwaarverzekeringsarts en de rechtbank ziet geen aanknopingspunten hieraan te twijfelen. Eiser is voorts van mening dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is verricht, nu de verzekeringsarts eiser tijdens het spreekuur niet lichamelijk heeft onderzocht. Uit voormelde rapportage van verzekeringsarts Balata blijkt dat de verzekeringsarts eiser wel op het spreekuur heeft gezien, maar niet lichamelijk heeft onderzocht omdat dit volgens de verzekeringsarts geen meerwaarde heeft. De bezwaarverzekeringsarts Sijben geeft aan dat de verzekeringsarts door eiser tijdens het spreekuur niet lichamelijk te onderzoeken inderdaad onzorgvuldig heeft gehandeld. De bezwaarverzekeringsarts herstelt dit echter door eiser, als onderdeel van de hoorzitting, lichamelijk te onderzoeken. Nu de bezwaarverzekeringsarts eiser alsnog lichamelijk heeft onderzocht, is naar het oordeel van de rechtbank het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig geweest. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus gegeven door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2009. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 19 januari 2009