Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0488

Datum uitspraak2009-01-07
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/780 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de in het kader van de WAO-schatting geselecteerde functies.


Uitspraak

07/780 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2006, 06/2212 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 7 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Mr. A.P.L. Pinkster, advocaat te Amsterdam, heeft als opvolgend gemachtigde de gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pinkster. Het Uwv is, met telefonisch bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft zich op 27 januari 1997 ziek gemeld voor zijn werk als pizzabakker. Na het voltooien van de wachttijd werd appellant door de verzekeringsarts niet duurzaam belastbaar geacht, waarna het Uwv appellant per 22 februari 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. In het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling werd appellant op 7 augustus 2003 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts P. van Zalinge, die appellant met beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 augustus 2003, in staat achtte halve dagen fysiek niet al te belastend werk te verrichten. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis daarvan het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2003 de WAO-uitkering van appellant per 13 november 2003 ingetrokken. Deze intrekking staat in rechte vast. 1.3. Met ingang van 13 november 2003 is appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit die uitkeringssituatie meldde appellant zich op 13 april 2005 ziek met lichamelijke en psychische klachten. De arts D.C. Raghoe, die appellant zag op 14 juni 2005, kon ten opzichte van de voorgaande medische beoordeling geen gewijzigde situatie vaststellen, althans geen toename van de beperkingen constateren en achtte appellant met ingang van 27 juni 2005 geschikt voor ten minste één van de destijds in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2005 met ingang van 27 juni 2005 (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. 2. Tegen voornoemd besluit is bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman het dossier nader bestudeerd, vragen op de hoorzitting gesteld en de behandelend neuroloog dr. P. Portegies alsmede de behandelend psycholoog/psychotherapeut F.J. Don nadere vragen gesteld. Na een schriftelijke reactie van voornoemde neuroloog op 16 september 2005 en het uitblijven van een reactie op de vraagstelling aan psychotherapeut Don, ook na een schriftelijk rappel, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de gezondheidstoestand van appellant sedert de voorgaande WAO-beoordeling in grote lijnen niet was veranderd en dat appellant met zijn beperkingen ten minste één van de destijds in het kader van de voorgaande WAO-beoordeling geselecteerde functies kon vervullen. Bij besluit van 23 december 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 juni 2005 ongegrond verklaard. 3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat de omstandigheid dat het Uwv niet de bij Mentrum gevraagde inlichtingen heeft afgewacht, niet tot de conclusie leidt dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de beschikbare medische gegevens onvoldoende aanleiding geven om te oordelen dat het Uwv de medische belastbaarheid van appellant onjuist heeft vastgesteld. Ten aanzien van de rugklachten van appellant heeft de rechtbank opgemerkt dat de neuroloog dr. Portegies in zijn brief van 16 september 2005 heeft aangegeven dat hij appellant op 23 augustus 2005 zag in verband met sinds enkele dagen bestaande hevige lage rugpijn en dat, zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft toegelicht, deze informatie niet op de datum in geding ziet, zodat er geen aanleiding bestaat appellant op grond hiervan meer beperkt te achten dan door het Uwv is aangenomen. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de rechtbank met verwijzing naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat appellant meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat door appellant geen medische gegevens in het geding zijn gebracht die aanknopingspunten bieden voor een ander oordeel dan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen. 4.1. De Raad overweegt als volgt. 4.2. Ingevolge artikel 19 van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld. 4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend arbeidsongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW verstaan gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de WAO in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. 4.4. De Raad stelt voorop dat de door de medisch adviseur van mr. Pinkster, drs. L.J. Haak, geleverde kritiek op het intrekkingsbesluit van 13 november 2003 en de daaraan ten grondslag liggende FML van 14 augustus 2003, de omvang van het onderhavige geding te buiten gaat. 4.5. In dit geding staat de vraag centraal of de belastbaarheid van appellant op 5 mei 2006 zodanig was dat hij (weer) in staat was ten minste één van de geselecteerde functies te vervullen. 4.6. Zowel de arts Raghoe als de bezwaarverzekeringsarts Hekkelman hebben de medische situatie van appellant ten tijde van de ziekmelding en de daaruit voortvloeiende beperkingen vergeleken met zijn belastbaarheid op 13 november 2003. Genoemde artsen hebben bij hun beoordeling in grote lijnen geen verandering van de belastbaarheid kunnen vaststellen en hebben geconcludeerd dat appellant op 27 juni 2005 nog in staat was één van de geselecteerde functies te vervullen. Naar het oordeel van de Raad is dit op inzichtelijke wijze gemotiveerd en voldoende onderbouwd. Daarbij is ook de van de behandelend neuroloog dr. Portegies verkregen informatie betrokken. Hetgeen daartegen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd is voldoende overtuigend weersproken door de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor een nader medisch onderzoek. 4.7. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd appellant met ingang van 27 juni 2005 (verdere) uitkering van ziekengeld te betalen. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2009. (get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk. (get.) J. Verrips. KR