Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0452

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200808872/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rotterdam (hierna: de raad) bij besluit van 14 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Noord-Kethelpolder".


Uitspraak

200808872/2. Datum uitspraak: 16 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rotterdam (hierna: de raad) bij besluit van 14 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Noord-Kethelpolder". Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2008, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoeker] heeft nadere stukken ingediend. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 januari 2009, waar [verzoeker], in persoon, is verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, ambtenaar in dienst van de gemeente Rotterdam, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV), vertegenwoordigd door ing. C.M. van der Vaart en mr. J.P.M. Verhoeven, beiden werkzaam bij de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van LNV, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het bestemmingsplan is bedoeld als actueel juridisch kader en als planologische vertaling van de ontwikkelingen die voortvloeien uit het reconstructieplan Midden-Delfland. 2.3. [verzoeker] stelt dat het college het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ziet op gronden met de bestemmingen "Recreatieve voorzieningen" en "Archeologisch waardevol gebied" aan de westzijde van de Poldervaart waar onlangs een aanvang is gemaakt met werkzaamheden voor de aanleg van een fietspad. [verzoeker] beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen van deze werkzaamheden te voorkomen. Hij voert aan dat in het kader van de bestemming "Recreatieve voorzieningen" voor deze werkzaamheden ten onrechte niet is voorzien in een aanlegvergunningstelsel. Voorts worden de werkzaamheden volgens hem uitgevoerd zonder de op grondslag van de bestemming "Archeologisch waardevol gebied" vereiste aanlegvergunning. 2.4. De raad heeft ter zitting onder meer gesteld dat het planonderdeel waarop het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is gericht, geen grondslag vindt in de door [verzoeker] ingebrachte zienswijze en dat het verzoek om die reden zou moeten worden afgewezen. 2.5. De voorzitter overweegt dat het beroep van [verzoeker] voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Recreatieve voorzieningen" voor gronden aan de westzijde van de Poldervaart, geen grondslag vindt in de bij de raad bij brief van 30 januari 2007 naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Voorshands is niet gebleken dat zich, voor zover van belang, een van deze omstandigheden voordoet. Wat betreft het betoog van [verzoeker] in zijn brief van 6 januari 2009 dat hij het ontbreken van een aanlegvergunningstelsel in andere correspondentie met het gemeentebestuur aan de orde heeft gesteld, overweegt de voorzitter dat de desbetreffende brieven dateren van na de zienswijzetermijn en dat hiermee geen verruiming van de reikwijdte van de ingediende zienswijze kan worden bewerkstelligd. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter dat het beroep van [verzoeker] in de bodemprocedure op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Om die reden bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Bechinka Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009 371.