
Jurisprudentie
BH0449
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200807774/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200807774/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oegstgeest (hierna: de raad) bij besluit van 18 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvengebied MEOB".
Uitspraak
200807774/2.
Datum uitspraak: 16 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oegstgeest (hierna: de raad) bij besluit van 18 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvengebied MEOB".
Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2008, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 januari 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, en [directeur] en het college, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar in dienst van de provincie Zuid-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door M.J. de Jongh en S.F. van Putten, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Oegstgeest, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Met het plan wordt een juridisch-planologische regeling gegeven voor het ontwikkelen van een bedrijventerrein op het voormalige complex van het Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf (MEOB) en wordt tevens beoogd de bestaande functies van omliggende gronden langs de Haarlemmerstraatweg en de rijksweg A44, waartoe ook het bedrijfsterrein van [verzoekster] behoort, vast te leggen.
In haar uitspraak van 20 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, zaak no. 200704180/1, heeft de Afdeling het vorige goedkeuringsbesluit van het college van 24 april 2007 wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigd, voor zover daarmee goedkeuring is onthouden aan het plandeel voor het gedeelte van het bedrijfsterrein van [verzoekster] waar het oprichten van een bedrijfswoning mogelijk is gemaakt (hierna: het plandeel).
Met het thans voorliggende goedkeuringsbesluit heeft het college wederom goedkeuring onthouden aan het plandeel.
2.3. [verzoekster] stelt dat het college niet meer bevoegd was een goedkeuringsbesluit te nemen. Doordat het heroverwegingsbesluit niet tijdig is genomen, is het plandeel naar haar mening van rechtswege goedgekeurd. Daarbij is volgens haar van belang dat het college in het besluit van 24 april 2007 goedkeuring aan het plandeel had onthouden.
2.4. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) behoeft het bestemmingsplan de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten.
Ingevolge het tweede lid wordt het besluit omtrent goedkeuring bekendgemaakt binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzageligging, bedoeld in artikel 26, indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht krachtens artikel 27. Gelet op deze bepalingen bestaat voor het college van gedeputeerde staten de verplichting te beslissen omtrent de goedkeuring van het door de raad vastgestelde bestemmingsplan.
Indien de Afdeling het besluit omtrent goedkeuring geheel of ten dele vernietigt, dient het college van gedeputeerde staten, behoudens indien en voor zover de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laat, of met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorziet, een nieuw besluit te nemen aangezien na vernietiging niet meer aan evengenoemde verplichting wordt voldaan.
Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb (Kamerstukken II, 1991-1992, 22 495, nr. 3, p. 146) geldt als maximumtermijn waarbinnen moet worden beslist na vernietiging door de rechter, de termijn die van toepassing is op de primaire besluitvorming. Gelet hierop dient als termijn waarbinnen het college van gedeputeerde staten opnieuw moet beslissen, de in artikel 28, tweede lid, van de WRO genoemde termijn te worden aangehouden.
Gelet op het vorenstaande diende het college binnen zes maanden na de dag van de verzending van de uitspraak van 20 februari 2008, derhalve uiterlijk op 20 augustus 2008, een besluit omtrent goedkeuring, voor zover nodig, van het bestemmingsplan bekend te maken. Het thans bestreden besluit is genomen op 9 september 2008 en bekendgemaakt op 18 september 2008. Het college heeft derhalve de hiervoor genoemde termijn overschreden.
2.4.1. Zoals uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt, kan in de Awb noch in de WRO steun worden gevonden voor de stelling dat het niet nakomen door het college van de verplichting om tijdig een nieuw besluit te nemen omtrent goedkeuring van het door de raad vastgestelde bestemmingsplan, leidt tot een goedkeuringsbesluit van rechtswege na het verstrijken van de termijn. De wetgever kan niet worden geacht een eerdere vernietiging door een fictieve goedkeuring te hebben willen vervangen op grond van het enkele feit dat het college niet binnen de wettelijke termijn een nieuw besluit heeft genomen. De voorzitter ziet, anders dan [verzoekster], voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het vorenoverwogene niet evenzeer van toepassing moet worden geacht op de situatie dat in de vorige procedure, in plaats van een verlening van goedkeuring, een onthouding van goedkeuring aan een plan of plandeel is vernietigd.
Gelet op het voorgaande was het college, ook nu het vorige goedkeuringsbesluit inzake het plandeel een onthouding van goedkeuring betrof, na het verstrijken van de beslistermijn bevoegd een nieuw besluit omtrent goedkeuring van het plandeel te nemen.
2.5. [verzoekster] verzoekt subsidiair om het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel hetgeen zij van belang acht in het kader van de bouwvergunningsprocedure voor de bedrijfswoning. In dit verband voert zij verschillende inhoudelijke bezwaren aan.
2.6. Wat betreft dit betoog overweegt de voorzitter dat het verzoek er in zoverre toe strekt dat er voorlopig van moet worden uitgegaan dat het plandeel, niettegenstaande de onthouding van goedkeuring, in werking is getreden. In die situatie zou de voorzitter kunnen toekomen aan het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De hiervoor bedoelde voorlopige voorziening is evenwel, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, te verstrekkend, aangezien ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, alleen dan zal kunnen strekken tot goedkeuring van het plandeel waarop het verzoek betrekking heeft indien voor het college geen ruimte bestaat een andersluidende beslissing te nemen. Van een zodanige situatie is niet gebleken, noch van uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld dat het bestreden besluit evidente gebreken vertoont en bovendien zo urgente belangen in het geding zijn dat de procedure in de hoofdzaak in redelijkheid niet kan worden afgewacht. De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheid acht de voorzitter in dat verband van onvoldoende gewicht.
2.7. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. Bechinka
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009
371.