
Jurisprudentie
BH0417
Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200808167/1 en 200808167/2
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200808167/1 en 200808167/2
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 15 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college), voor zover hier van belang, locatie LB-04 gelegen ter hoogte van de Singel 56 te Dordrecht aangewezen voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor huishoudelijk restafval ten behoeve van de bewoners van de Singel 30 tot en met 70 en van De Vereniging 1 tot en met 9.
Uitspraak
200808167/1 en 200808167/2.
Datum uitspraak: 13 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college), voor zover hier van belang, locatie LB-04 gelegen ter hoogte van de Singel 56 te Dordrecht aangewezen voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor huishoudelijk restafval ten behoeve van de bewoners van de Singel 30 tot en met 70 en van De Vereniging 1 tot en met 9.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2008, beroep ingesteld.
Bij deze brief hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 december 2008, waar [een der appellanten], in persoon, en het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. van Meer-Dijksman en G. Drijvers, zijn verschenen.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Ingevolge artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.
Ingevolge artikel 10.26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening bepalen dat huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel.
Ingevolge artikel 10.26, vierde lid, van de Wet milieubeheer stelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer regels inhoudende de voorwaarden waaronder ingevolge het eerste lid kan worden bepaald dat huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel worden ingezameld. Hiertoe behoren in ieder geval regels omtrent de loopafstand van het perceel naar het inzamelpunt en de beschikbaarheid van het inzamelpunt.
Ingevolge artikel 3 van de regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel (hierna: de Regeling) is sprake van een laagdrempelige inzameling indien de afstand tussen het perceel waar de huishoudelijke afvalstoffen ontstaan en de inzamelvoorziening of de clusterplaats niet meer bedraagt dan 75 meter. De gemeenteraad kan in bijzondere gevallen bij de verordening, bedoeld in artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bepalen dat de afstand wordt vastgesteld op ten hoogste 125 meter.
2.3. Ingevolge artikel 13, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening Dordrecht kunnen burgemeester en wethouders aanwijzen welk inzamelmiddel- of voorziening gebruikt moet worden voor de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijk afval door de gebruiker(s) van een perceel.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders regels stellen ten aanzien van de wijze en plaatsen waarop huishoudelijk afval in een inzamelvoorziening ten behoeven van een groep percelen moet worden aangeboden.
2.4. [appellanten] betogen dat het bestreden besluit ten onrechte met zich brengt dat zij geen gebruik meer zullen kunnen maken van de zogenoemde grijze minicontainer voor het aanbieden van huishoudelijk restafval.
2.4.1. Ter zitting heeft het college toegezegd dat [appellanten] gebruik kunnen blijven maken van de grijze minicontainer en niet verplicht zijn hun huishoudelijk restafval via de ondergrondse afvalcontainer aan te bieden. De beroepsgrond mist aldus feitelijke grondslag.
De beroepsgrond faalt.
2.5. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte de door hen voorgestelde alternatieve locaties voor een ondergrondse afvalcontainer niet bij de besluitvorming heeft betrokken.
2.5.1. Ten behoeve van de locatiekeuze voor ondergrondse afvalcontainers in de overige wijken van Dordrecht heeft het college de notitie "Notitie nadere uitwerking invoering ondergrondse containerisatie restafval overige wijken Dordrecht" van 19 april 2007 vastgesteld.
Volgens deze notitie dient met de plaatsing van de ondergrondse container rekening te worden gehouden met een toereikende bereikbaarheid voor gebruikers en het woongenot van omwonenden, de mogelijkheid tot parkeren dient zoveel mogelijk te worden gerespecteerd, moet aantasting van openbaar groen tot een minimum worden beperkt en dient rekening te worden gehouden met planologische, stedenbouwkundige en verkeerskundige beperkingen als ook inzamellogistieke aspecten, waaronder voldoende ruimte voor het plaatsen en het ledigen van de container, en de fysieke (on)mogelijkheid om containers te plaatsen in verband met leidingen en kabels in de ondergrond. Wanneer niet aan alle eisen kan worden voldaan, zal worden gekozen voor de meeste aanvaardbare locatie. Dit beleid is naar het oordeel van de voorzitter niet onredelijk.
Verder is in artikel 3 van de Regeling bepaald dat de afstand tussen het perceel waar de huishoudelijke afvalstoffen ontstaan en de clusterplaats niet meer bedraagt dan 75 meter, behoudens in bijzondere gevallen.
2.5.2. De ondergrondse afvalcontainer is geprojecteerd binnen een straal van 75 meter van de objecten gelegen aan Singel 30 tot en met 70 en van De Vereniging 1 tot en met 9, waarvoor de desbetreffende container als clusterplaats zal dienen. De gekozen locatie voldoet daarmee aan artikel 3 van de Regeling. Het college heeft bij de keuze voor LB-04 als locatie voor een ondergrondse afvalcontainer toepassing gegeven aan de in de eerdergenoemde notitie weergegeven criteria. Het college is in de considerans van het bestreden besluit uitvoerig ingegaan op de vermeende belemmeringen die [appellanten] vanwege de ondergrondse container op de gekozen locatie vrezen te ondervinden. [appellanten] hebben het door het college ingenomen standpunt niet weerlegd, noch overtuigend in een ander daglicht geplaatst. In hetgeen zij hebben betoogd, ziet de voorzitter, mede gezien het verhandelde ter zitting, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot aanwijzing van de onderhavige locatie.
De beroepsgrond faalt.
2.6. Het beroep is ongegrond.
2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Drouen
voorzitter Ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009
375-579.