
Jurisprudentie
BH0334
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/466 WAO + 08/6994 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/466 WAO + 08/6994 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit intrekking gehandhaafd met nadere onderbouwing. Allergie. Schatting gebaseerd op drie SBC-codes, waaronder de functie van productiemedewerker textiel, bestaande uit het machinaal naaien van wollen dekbedden, met bijzondere belasting bij huidcontact door wol. Er is zodanige twijfel aan de geschiktheid van deze functie, dat deze de arbeidsongeschiktheidsschatting niet kan dragen. Ontoereikende arbeidskundige grondslag.
Uitspraak
07/466 WAO + 08/6994 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 december 2006, 06/2200 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft bij brief van 26 februari 2007 de beroepsgronden aangevuld en een schrijven van 16 januari 2007 van de dermatoloog dr. R.I.F. van der Waal ingezonden.
Daarop heeft het Uwv een reactie van 1 maart 2007 van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde
mr. Van Berkel. Het Uwv heeft zich (voor de laatste keer wegens diens prepensionering) laten vertegenwoordigen door
mr. E.B. Knollema. Ter zitting zijn de volgende - tot dat moment aan de gedingstukken ontbrekende - stukken toegevoegd: een brief van 18 januari 2007, waarbij het Uwv heeft meegedeeld te berusten in de aangevallen uitspraak; een ten aanzien van appellante op bezwaar genomen besluit van 18 januari 2007; een rapport van 27 december 2006 van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel en een verslag van 8 januari 2007 van een overleg tussen de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel en de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat bij het op bezwaar genomen besluit van 21 april 2006 (besluit I) de aan appellante verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 mei 2006 is ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv, afgezien van de belastbaarheid van appellante op het punt van hand- en vingervaardigheid, op zorgvuldige wijze de belastbaarheid en de beperkingen van appellante per 24 mei 2006 heeft vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat voor de door appellante gestelde allergie voor wol geen enkele aanwijzing in de gedingstukken is te vinden en dat het op haar weg had gelegen voldoende aannemelijk te maken dat inderdaad sprake is van allergie voor wol. Nu niet gebleken is dat sprake is van allergie voor wol die beperkingen bij het verrichten van arbeid met zich meebrengt, kan de grief van appellante naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank heeft het bestreden besluit wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, op de grond dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende had gemotiveerd waarom de door de verzekeringsarts aangenomen beperking van de hand- en vingervaardigheid van appellante was komen te vervallen.
3. Tegen het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van besluit I is in hoger beroep onder meer opnieuw aangevoerd dat appellante allergisch is voor wol waarmee in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ten onrechte geen rekening is gehouden. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een verklaring van 16 januari 2007 overgelegd van de dermatoloog Van der Waal. Ook overigens heeft appellante aangevoerd dat de FML geen correcte weergave geeft van de bij haar bestaande beperkingen. Met betrekking tot de arbeidskundige kant heeft appellante aangevoerd dat het CBBS-systeem na de aanpassing per 1 juli 2005 evident niet aan de door de Raad in zijn jurisprudentie gestelde eisen voldoet en nog minder inzichtelijk is dan voor die datum. In verband met haar allergie voor wol heeft appellante aangevoerd dat in de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functie van productiemedewerker textiel sprake is van huidcontact met wol en om die reden niet geschikt is te achten. Appellante heeft in hoger beroep verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding (wettelijke rente).
4. Bij besluit van 18 januari 2007 (besluit II), genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, heeft het Uwv middels het aan dit besluit gehechte rapport van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel nader uiteengezet in welke zin appellantes hand- en vingervaardigheid is beperkt (alleen rechterhand is beperkt voor schroefbewegingen en typen tijdens het werk) en in dit besluit het standpunt gehandhaafd dat appellante in staat moet worden geacht de door de bezwaararbeidsdeskundige geschikt geachte functies te vervullen.
5.1. De Raad is van oordeel dat appellante in hoger beroep voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er bij haar waarschijnlijk sprake is van wolallergie. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante, direct na kennisneming van de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies, nog in de bezwaarfase van de besluitvorming, bij brief van 5 april 2006 op het bestaan van een wolallergie heeft gewezen en dit standpunt bij de rechtbank en in hoger beroep, onder overlegging van de verklaring van de dermatoloog Van der Waal, heeft herhaald. Aan deze verklaring ontleent de Raad dat een allergie voor wol veelal niet kan worden aangetoond, maar dat in het geval van appellante, bij wie sprake is van atopische skin diathese, een dergelijke allergie een veel voorkomend fenomeen is. Daarnaast heeft deze dermatoloog vermeld dat bij zijn onderzoek een huisstofmijt-allergie en een nikkel-allergie is aangetoond. Ter zitting heeft appellantes gemachtigde verklaard dat appellante op de hoogte was van haar wolallergie door een via de huisarts in het verleden uitgevoerd onderzoek, waarvan de gegevens evenwel niet meer te achterhalen vielen. Hetgeen de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel met betrekking tot het bestaan van de wolallergie in zijn rapport van 1 maart 2007 opmerkt, te weten dat sprake is van een anamnestisch gegeven, gaat er aan voorbij dat de waarschijnlijke aanwezigheid ervan door de dermatoloog Van der Waal, zoals hiervoor weergegeven, niet uitsluitend op de anamnese is gebaseerd.
5.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant stelt de Raad vast dat de schatting berust op drie SBC-codes, waaronder begrepen de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043). Uit de onder de gedingstukken zich bevindende beschrijving van die functie leidt de Raad af dat het gaat om het maken van dekbedden met behulp van een naaimachine (90% van de tijd) en dat het te verwerken materiaal wol is, nu het stikken van een wollabel tot de werkzaamheden behoort en in de omschrijving is opgenomen dat sprake is van een bijzondere belasting bij huidcontact door wol.
5.3. Aan de reactie van 1 maart 2007 van de bewaarverzekeringsarts Bockwinkel ontleent de Raad dat, indien moet worden aangenomen dat sprake is van wolallergie bij appellante, de functie van productiemedewerker textiel niet geschikt is, tenzij er geen medische bezwaren zouden zijn dat appellante dit werk met latexhandschoenen verricht. Daarover heeft de bezwaarverzekeringsarts zelf geen standpunt ingenomen.
5.4. Hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt de Raad, in onderlinge samenhang beschouwd, tot een zodanige twijfel aan de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functie van productiemedewerker textiel, geen kleding, dat deze de arbeidsongeschiktheidsschatting niet kan dragen.
5.5. Hiermee is tevens gegeven dat deze schatting op een ontoereikende arbeidskundige grondslag rust, nu slechts twee functies resteren. Om deze reden kan besluit I geen standhouden. De aangevallen uitspraak waarbij het besluit I is vernietigd, komt, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.
6.1. Met besluit II is het Uwv niet aan appellante tegemoetgekomen. Dit betekent dat het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit II.
6.2. Het beroep tegen besluit II dient gegrond te worden verklaard en dit besluit dient te worden vernietigd, nu dit berust op dezelfde grondslag als besluit I, welke grondslag door de Raad al in rechtsoverweging 5.5 als ontoereikend is beoordeeld.
7. Ten aanzien van het verzoek van appellante om schadevergoeding overweegt de Raad dat met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit I voor zover daarbij met ingang van 24 mei 2006 de WAO-uitkering is ingetrokken, schade heeft geleden, in verband met de vertraagde uitbetaling van de uitkering. Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit van het Uwv schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering. Op het Uwv rust de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. De eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd, wordt gesteld op 1 juni 2006, tot aan de dag der algehele voldoening. De ingangsdatum van de rentevergoeding over de volgende termijnen dient telkens te worden vastgesteld op de eerste dag na afloop van de desbetreffende termijn. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen besluit II gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het besluit in primo van 8 november 2005;
Bepaalt dat appellante met ingang van 24 mei 2006 aanspraak heeft op uitkering ingevolge de WAO, berekende naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding aan appellante van schade als hiervoor onder rechtsoverweging 7 is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL