
Jurisprudentie
BH0289
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1185 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1185 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Feitelijke inkomsten uit arbeid en de theoretische schatting met gebruikmaking van de mediane loonwaarde. Nadere toelichting omtrent “sociaal loon” en ploegentoeslag.
Uitspraak
07/1185 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 januari 2007, 06/1296 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 22 juli 2008 nog enige inlichtingen verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Verkoeijen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, is weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 8 juni 2006 het besluit van 2 januari 2006 heeft gehandhaafd. Daarbij is met ingang van 1 februari 2006 de aan appellant laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
2.1. De rechtbank heeft ten aanzien van de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting als haar oordeel gegeven dat de medische advisering niet in strijd is te achten met de zorgvuldigheidsvereisten en dat de conclusies van de verzekeringsarts niet voor onjuist gehouden kunnen worden.
2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat uit de rechtspraak van de Raad volgt dat het mogelijk is om de mate van arbeidsongeschiktheid met toepassing van artikel 9, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit te doen vaststellen aan de hand van feitelijke inkomsten uit arbeid, wanneer dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan die het resultaat is van een theoretische schatting met gebruikmaking van de mediane loonwaarde van voor appellant geschikt geachte functies. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de theoretische schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid door de arbeidsdeskundige leidt tot een verlies aan verdienvermogen van 60,51% en dat een door de bezwaararbeidsdeskundige uitgevoerde berekening op basis van feitelijke verdiensten uitkomt op 51,1%, hetgeen resulteert in indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. De rechtbank heeft daarop als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 9, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% juist is gewaardeerd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten tijde in geding, 1 februari 2006, in staat was - zonder schade voor zijn gezondheid – zijn (in een omvang van vier uur per dag en ook overigens aangepaste) werkzaamheden van heftruckchauffeur te verrichten.
3.1. Mede gelet op de in hoger beroep gegeven nadere toelichting door de bezwaararbeidsdeskundige van 14 juli 2008 onderschrijft de Raad het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. In die toelichting heeft de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam uiteengezet dat in het loon dat appellant ontving voor zijn werkzaamheden, anders dan in het verleden door het Uwv was aangenomen, geen component “sociaal loon” begrepen was omdat de loonwaarde van de arbeid die appellant verrichtte niet zou corresponderen met het feitelijk ontvangen loon. Ook is in die toelichting de hoogte van de door appellant ten tijde in geding ontvangen ploegentoeslag afdoende bevestigd.
3.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant gewezen op de tegenstrijdigheid dat enerzijds zijn feitelijk verrichte werkzaamheden de basis vormen voor de indeling in de klasse 45 tot 55%, terwijl hij anderzijds door de aanvulling van zijn uitkering met een Werkloosheidswetuitkering vanuit de toepassing van die wet gehouden is andere werkzaamheden te zoeken respectievelijk te aanvaarden. Dienaangaande overweegt de Raad dat, wat daarvan ook moge zijn, dit niet afdoet aan de per 1 februari 2006 bestaande feitelijke situatie dat appellant met zijn werk een zodanig inkomen verwierf dat dit een schatting op basis van deze verdiensten rechtvaardigde.
4. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL