Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0161

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4263 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende zorgvuldig onderzoek. Voldoende informatie behandelend sector ondanks constatering dat verschillende documentatie ontbrak. In FML is rekening gehouden met psychische en lichamelijke beperkingen vanwege een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Bva concludeert dat ondanks het feit dat voor de gezondheidsklachten nog geen objectiveerbaar medisch substraat is vastgesteld, deze wel kunnen worden begrepen onder een ziekte of gebrek in het kader van de WAO.


Uitspraak

07/4263 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 juni 2007, 06/6516 WAO (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F.M. van der Neut, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Namens appellante is verschenen mr. N. Strikwerda, advocaat te Utrecht. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.H.M. Visser. II. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 20 februari 2006 is de aan appellante toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 21 april 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 juli 2006 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 5 juli 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (hierna: bestreden besluit) in stand gelaten en beslist tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanleiding te hebben gezien het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts appellante lichamelijk heeft onderzocht, dat de bezwaarverzekeringsarts appellante heeft gezien bij de hoorzitting en informatie heeft ingewonnen bij de behandelende revalidatiearts. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. Ten aanzien van het in beroep overgelegde journaal van de huisarts van 13 april 2007 heeft de rechtbank overwogen dat dit speelt na de datum in geding en daarom buiten beschouwing dient te worden gelaten. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat deze voldoende is onderbouwd, zij het dat dit pas in beroep is gebeurd. 3. In hoger beroep heeft appellante - evenals in beroep - de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Appellante acht zich niet in staat arbeid te verrichten en is van mening dat ten minste een urenbeperking moet worden aangenomen. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben onvoldoende gemotiveerd dat er - in afwijking van de vorige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling - niet langer een medische noodzaak is om een urenbeperking vast te stellen, mede gelet op het dagverhaal en het al jaren ongewijzigde klachtenpatroon. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsarts ten onrechte geen acht heeft geslagen op de door haar (naar zijn spreekuur) meegenomen medische verklaringen van de behandelend artsen. 4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat sprake is van een zorgvuldige medische voorbereiding door het Uwv. Naast het lichamelijk onderzoek dat de verzekeringsarts bij appellante heeft verricht, heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante gezien alsook gesproken tijdens de hoorzitting. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat hij geen aanleiding zag om informatie bij behandelaars op te vragen ondanks zijn constatering dat verschillende documentatie ontbrak. Op dit aspect acht de Raad het onderzoek door de verzekeringsarts onvoldoende. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts is de Raad evenwel gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn onderzoek over voldoende informatie van de behandelende sector beschikte. De bezwaarverzekeringsarts heeft de door appellante in bezwaar overgelegde verwijsbrief van huisarts E. Schoorl van 26 oktober 2005 en e-mail van revalidatiearts C.M. van Gestel van 28 april 2006 bij zijn onderzoek betrokken. Bij de informatie van de huisarts was correspondentie van internist R. Brouwer van 26 november 2003 gevoegd. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts zelf informatie ingewonnen bij Van Gestel, die daarop heeft gereageerd met een brief van 16 juni 2006 onder verwijzing tevens naar diens daarbij gevoegde, aan de huisarts van appellante gerichte brief van 8 december 2005. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd leidt de Raad niet af dat de bezwaarverzekeringsarts over onvoldoende informatie van de behandelende sector beschikte. Gelet op het voorgaande is de Raad derhalve van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een voldoende zorgvuldig onderzoek. 4.2. De Raad is vervolgens van oordeel dat er, gezien de beschikbare medische gegevens, geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellante. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat bij het medisch onderzoek tegenstrijdige bevindingen zijn gedaan. Vervolgens is in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) rekening gehouden met psychische en lichamelijke beperkingen vanwege een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport geconcludeerd dat ondanks het feit dat voor de gezondheidsklachten nog geen objectiveerbaar medisch substraat is vastgesteld, deze wel kunnen worden begrepen onder een ziekte of gebrek in het kader van de WAO. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat met de moeheids- en gewrichtsklachten in de FML in voldoende mate rekening is gehouden. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat uit de informatie van de huisarts, de internist en de revalidatiearts geen nieuwe aspecten blijken die aanpassing van de FML noodzakelijk maken. Appellante heeft in hoger beroep geen medisch stuk ingediend. De in bezwaar overgelegde toelichting van de moeder van appellante op het dagpatroon geeft inzicht in de subjectieve opvatting van appellante over haar mogelijkheden, maar bevat geen objectieve medische gegevens. Gelet op de tegenstrijdige onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts en de vaststelling door de (bezwaar)verzekeringsartsen dat een objectiveerbaar medisch substraat ontbreekt, acht de Raad voldoende inzichtelijk gemaakt dat voor appellante per de datum in geding een urenbeperking niet langer noodzakelijk was. 4.3. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) A.C.A. Wit. GdJ