
Jurisprudentie
BH0159
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4150 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4150 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Ook de arts heeft geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen vinden die de door appellante ervaren klachten kunnen verklaren. De beschikbare gegevens bieden voldoende steun bieden voor het oordeel dat appellante op datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de functies te vervullen.
Uitspraak
07/4150 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 juni 2007, 06/1433
(hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T. Meier, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellante heeft in 1999 in verband met klachten aan het bewegingsapparaat en spanningsklachten haar fulltime functie van medewerkster binnendienst assurantiƫn bij Rabobank Eelde-Vries-Zuidlaren moeten staken. Zij ontving laatstelijk per 6 november 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.3. Bij besluit van 9 juni 2006 heeft het Uwv per 8 augustus 2006 de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het namens appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 10 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, waarna zij alsnog is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.
3.1. Het hoger beroep richt zich met name tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit rust op een voldoende medische grondslag. Appellante is van mening dat het Uwv haar klachten heeft onderschat en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar ervaren beperkingen. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat deze klachten niet alleen door de fysiotherapeuten B.T.M. Beersma en C. Bron worden erkend, maar ook door de huisarts J. Rozeman. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij in hoger beroep nadere informatie overgelegd van de arts M.W. van Essen.
3.2. Het Uwv heeft door inzending van rapportages van de bezwaarverzekeringsarts
K.J. van Haeringen gereageerd op de stellingen van appellante. Het Uwv meent dat er geen reden is een ander standpunt in te nemen en is van mening dat de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond heeft verklaard.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De Raad verstaat de motivering van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag zo dat er in de beroepsfase zijdens appellante geen (aanvullende) medische gegevens meer zijn ingebracht op basis waarvan zij tot de conclusie had moeten komen dat het bestreden besluit in rechte geen stand zou kunnen houden.
4.3. Ook de in hoger beroep aangedragen gegevens bieden, in het licht van het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de belastbaarheid van appellante is onderschat. De Raad heeft in zijn overwegingen betrokken dat, evenals blijkend uit de in een eerder stadium van de procedure overgelegde rapportages van de neurologen J.N. Wessel en J.B.M. van de Biezenbos, ook de arts Van Essen geen medisch objectiveerbare afwijkingen heeft kunnen vinden die de door appellante ervaren klachten kunnen verklaren. Aan de eigen mening met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien.
4.4. De Raad is tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat appellante op 8 augustus 2006 op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige J. Langebeeke voorgehouden functies te vervullen en met de daaraan verbonden werkzaamheden ten minste 29,3% van haar maatmaninkomen te verdienen.
4.5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) I.R.A. van Raaij.
KR