
Jurisprudentie
BH0152
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3646 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3646 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Geen aanleiding om aan te nemen dat zijn functionele beperkingen zijn onderschat. De medische stukken bevatten geen informatie op grond waarvan moet worden aangenomen dat het belastbaarheidsoordeel van het Uwv onjuist is.
Uitspraak
07/3646 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2007, 06/4128
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een commentaar van zijn bezwaarverzekeringsarts ingediend.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 5 december 2008. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 6 september 2006 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de uitkering die appellant ontving op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
15 tot 25%, met ingang van 9 januari 2006 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, waardoor hij zijn voormalige functie van kitter bij een bouwbedrijf niet meer kan verrichten. Vanaf 9 januari 2006 (na afloop van de wettelijke wachttijd) zou appellant echter nog wel als productiemedewerker papier, magazijnmedewerker en productiemedewerker textiel ongeveer 73% kunnen verdienen van het geïndexeerde inkomen als kitter.
2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige kant van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd het niet zorgvuldig te achten dat de verzekeringsartsen wat betreft zijn nek- en schouderklachten zijn afgegaan op de informatie die door het Uwv in februari 2006 is opgevraagd bij zijn neuroloog Mulder, die heeft geantwoord dat hij geen neurologische diagnose bij hem heeft kunnen stellen. Appellant wijst erop dat bij hem in 2004 een dubbele nekhernia is geconstateerd die niet operabel was. Hij heeft een brief van 25 april 2006 van de neurochirurg Van den Berge, die hem destijds behandelde, aan de Raad toegestuurd waarin is vermeld dat de hernia nog steeds aanwezig is.
3.2. Het Uwv heeft erop gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts Blanker heeft vastgesteld dat de neuroloog Mulder over de informatie van Van den Berge uit 2004 beschikte, maar dat Mulder in februari 2006 niet langer een (symptomatische) nekhernia aan de orde achtte, waarmee hij overigens niet in twijfel heeft getrokken dat appellant wel symptomen had die passen bij een nekhernia. In verband daarmee is aangenomen dat appellants rug en nek nog steeds niet volledig belastbaar zijn. Het Uwv verwijst voorts naar het commentaar van zijn bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe op de brief van Van den Berge, waarin Van de Merwe concludeert dat met de beperkte belastbaarheid voor zwaarder werk, zoals naar voren komt uit de brief van Van den Berge, reeds voldoende rekening is gehouden.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Anders dan appellant stelt, heeft de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat zijn functionele beperkingen zijn onderschat. De neurochirurg Van den Berge heeft in zijn brief van 25 april 2006 aangegeven dat hij appellant in april 2006 weer voor het eerst terugzag en dat er toen nog steeds afwijkingen van de nek aanwezig waren, waardoor appellant beperkt is voor zware nekbelastende arbeid en vaak of sterk (uit)rekken. Appellant is door het Uwv beperkt geacht voor zwaardere nek- en armbelastende arbeid, wat betreft trillingen, buigen, tillen/dragen, trappenlopen, staan, buigen/torderen, frequent reiken (links), hand- en vingergebruik (links), boven schouder werken (links) en werken op hoogtes en met onbeveiligde machines. De medische stukken bevatten geen informatie op grond waarvan moet worden aangenomen dat het belastbaarheidsoordeel van het Uwv, ook als de laatste informatie van de neurochirurg Van den Berge in aanmerking wordt genomen, onjuist is.
4.2. Aan de herziening van de WAO-uitkering ligt voorts ten grondslag dat appellant, gelet op de genoemde beperkingen, de onder punt 1 genoemde functies kan vervullen. Voldoende toegelicht – en bevestigd door de bezwaarverzekeringsartsen – is dat de licht fysieke belasting in deze functies binnen de mogelijkheden van appellant valt. De Raad wijst er nog op dat deze functies zijn geselecteerd met inachtneming van de (pas naderhand in de bezwaarfase vervallen) beperking voor ‘reiken’.
4.3. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
C. Dierdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) C. Dierdorp.
JL