Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0150

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1998 WAO + 08/5230 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Grieven zijn in hoger beroep niet onderbouwd. Niet gebleken dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies de grenzen van de op het aspect buigen aangescherpte FML (dat wil zeggen, de zogenoemde verstopte beperking op dit punt is omgezet in een beperking) vastgelegde belastbaarheid van appellante te buiten gaan. Omvang maatmanfunctie van pakketbezorgster van gemiddeld 60-80 uur per week niet onderbouwd.


Uitspraak

07/1998 WAO + 08/5230 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 februari 2007, 06/153 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend (zaak 07/1998 WAO). Op 26 augustus 2008 heeft het Uwv een nader besluit op bezwaar genomen. De Raad heeft aan beide partijen meegedeeld dat hij over dat besluit tevens een oordeel zal geven (zaak 08/5230 WAO). De beide zaken zijn ter zitting op 5 december 2008 ter behandeling aan de orde gesteld. Geen van beide partijen is verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 29 december 2005 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 25 juli 2005 waarbij het de aan appellante per 22 mei 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% toegekende WAO-uitkering per 22 september 2005 heeft ingetrokken onder overweging dat die mate minder dan 15% is gaan bedragen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 29 december 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen op grond van de beschikbare medische gegevens van oordeel te zijn dat ten aanzien van appellante de juiste functionele mogelijkheden zijn vastgesteld, dat appellante niet aannemelijk heeft weten te maken zij met inachtneming van de voor haar vastgestelde medische beperkingen de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet kan vervullen, dat wat die functies betreft niet is kunnen blijken van overschrijding van de belastbaarheid van appellante en dat haar resterende verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. 3. In hoger beroep heeft appellante wat haar grieven betreft volstaan met verwijzing naar hetgeen zij eerder in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. In essentie komt dat erop neer dat zij zich medisch meer beperkt acht dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen en dat zij dus de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. 4.1. Bij nader besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 25 juli 2005 alsnog gegrond verklaard, dat besluit gesteld in de plaats van zijn besluit op bezwaar van 29 december 2005, besloten de WAO-uitkering aan appellante per 22 september 2005 alsnog onveranderd te baseren op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% en de door appellante in verband met de behandeling van haar bezwaar gemaakte kosten (van rechtsbijstand) vergoed tot een bedrag van € 644,--. Daartoe is het Uwv overgegaan op grond van de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN AZ9652, met betrekking tot het (niet mogen) maximeren van de urenomvang van de maatman, welke omvang in het geval van appellante door het Uwv reeds in 2001 op 50,74 uur per week is gesteld en sedertdien is gehouden. 4.2. Ten aanzien van dat nadere besluit op bezwaar heeft appellante aangegeven dat daarmee niet volledig aan haar bewaar is tegemoetgekomen, aangezien zij zich per 21 juli 2005 (lees: 22 september 2005, de datum in geding) volledig arbeidsongeschikt acht en dan ook van mening is per 22 september 2005 aanspraak te hebben op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, althans op een WAO-uitkering met indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 25-35%. 5.1. De Raad overweegt als volgt. 5.2. Het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 brengt met zich dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 29 december 2005 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 966,-- wegens in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Aangezien in beroep evenals in hoger beroep krachtens de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend, zal dat bedrag moeten worden betaald aan de griffier van de Raad. 5.3. Rijst vervolgens de vraag of het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008, waarbij niet volledig aan het bezwaar van appellante is tegemoetgekomen, in stand kan blijven. 5.4. Tegen dit nadere besluit heeft appellante in medisch opzicht geen andere grieven aangevoerd dan in hoger beroep onder verwijzing naar hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft haar grieven in hoger beroep niet onderbouwd door een of meer medische verklaringen te overleggen. De Raad kan zich vinden in het gemotiveerde oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een onjuiste medische grondslag. 5.5. Het is de Raad niet kunnen blijken dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies de grenzen van de in de door de bezwaarverzekeringsarts op 3 november 2006 op het aspect buigen aangescherpte FML (dat wil zeggen, de zogenoemde verstopte beperking op dit punt is omgezet in een beperking) vastgelegde belastbaarheid van appellante te buiten gaan. Appellante heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat zij in medisch opzicht de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet kan vervullen, maar dat standpunt is voortgekomen uit haar opvatting dat haar belastbaarheid in de FML niet juist is vastgesteld. 5.6. Appellante heeft in bezwaar gesteld dat zij in haar maatmanfunctie van pakketbezorgster gemiddeld 60-80 uur per week werkzaam was. Die stelling is door haar in het geheel niet onderbouwd, is door de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapport van 28 december 2005 gemotiveerd weerlegd en is door het Uwv bij het besluit op bezwaar van 29 december 2005 niet gehonoreerd. In beroep heeft appellante die stelling niet opnieuw geponeerd. Voor zover appellante heeft bedoeld die stelling in hoger beroep te handhaven, kan die niet tot vernietiging van het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 leiden, omdat niets in de gedingstukken wijst in de richting van een maatmanomvang van meer dan 50,74 uur per week waarvan het Uwv is uitgegaan. Andere grieven van louter arbeidskundige aard zijn door appellante niet aangevoerd. 5.7. In haar inleidende en ook aanvullende hoger beroepschrift heeft appellante gevraagd om (schade-)vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering. De Raad gaat ervan uit dat het Uwv daartoe naar aanleiding van zijn nadere besluit van 26 augustus 2008 zoals inmiddels te doen gebruikelijk eigener beweging is overgegaan. 6. Uit het in 5.4 tot en met 5.7 overwogene volgt dat het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 niet voor vernietiging in aanmerking komt. Te dien aanzien bestaat voor een proceskostenveroordeling van het Uwv geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 29 december 2005 gegrond en vernietigt dat besluit; Verklaart het beroep tegen het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 ongegrond; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,--, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) A.C.A. Wit. JL