Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0147

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1735 WIA
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. FML: beperking ter zake van stof, rook, gas en dampen die in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet wordt overschreden. In het tijdens de beroepsfase vervangen van één van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies door een reeds in de primaire fase als reserve geduide functie, bestaat onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit geen stand kan houden.


Uitspraak

07/1735 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 februari 2007, 06/1655 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. E.T.B. van der Werf. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 januari 2006 waarbij het Uwv heeft geweigerd aan haar per 4 januari 2006 een WIA-uitkering toe te kennen om reden dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. 2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 8 juni 2006 gegrond verklaard, dat besluit (bestreden besluit) vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven en beslist over griffierecht en proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. 2.2. Er is geen reden de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Er is sprake van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek, de op basis van de uit dat onderzoek naar voren gekomen gegevens getrokken conclusies zijn op overtuigende wijze onderbouwd en appellante heeft geen nadere (medische) gegevens ingebracht die een ander licht werpen op haar belastbaarheid op de datum in geding en leiden tot twijfel aan de juistheid van de vaststelling daarvan door het Uwv. 2.3. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft is de rechtbank uitgegaan van de CBBS-uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4719 e.a.) en van 12 oktober 2006 (LJN AY9971 e.a.). Aan de schatting zijn, aldus voorts de rechtbank, door het Uwv ten grondslag gelegd tot 3 verschillende SBC-codes behorende en aan appellante voorgehouden functies waarvan het Uwv hangende de beroepsprocedure een aantal (alle tot SBC-code 372040 behorende) functies heeft vervangen door een andere (tot SBC-code 264140 behorende) functie (welke eerder als reservefunctie was geduid). Het door het Uwv laten vallen van de tot SBC-code 372040 behorende functies heeft de rechtbank gebracht tot het oordeel dat het bestreden besluit wat de arbeidskundige onderbouwing betreft niet in stand kan blijven. Vervolgens heeft de rechtbank ten aanzien van de in het Resultaat Functiebeoordeling voorkomende signaleringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante) geoordeeld dat in de beroepsfase alsnog afdoende is gemotiveerd dat de functies waarop de schatting (in de beroepsfase nader) is gebaseerd voor appellante als passend kunnen worden aangemerkt. Daarin heeft de rechtbank aanleiding gezien om na vernietiging van het bestreden besluit over te gaan tot het geheel in stand laten van de rechtsgevolgen van dat besluit. 3. In hoger beroep heeft appellante zich er toe beperkt aan te voeren dat zij ten tijde in geding (4 januari 2006) in medisch opzicht - zowel fysiek als psychisch - aanzienlijk meer was beperkt dan door het Uwv alsook de rechtbank is aangenomen en dat zij daarom de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet kan vervullen. 4. In verweer heeft het Uwv aangevoerd dat bij het opstellen van de FML rekening is gehouden met de fysieke en psychische beperkingen van appellante. Zo bevat de FML ter zake van stof, rook, gas en dampen een beperking die in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet wordt overschreden. Dat - zoals appellante heeft gesteld - ten tijde in geding sprake was van een algehele beperking om te reizen of zich te verplaatsen, is niet onderbouwd met enig medisch gegeven. 5.1. De Raad overweegt als volgt. 5.2.1. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, vormt min of meer een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd, te weten dat zij (primair) geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en (subsidiair) in medisch opzicht zozeer is beperkt dat zij geen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan vervullen. Haar standpunt dat zij in het geheel niet kan reizen of zich verplaatsen, vormt een uitbreiding van de door haar in de bezwaarfase geponeerde stelling dat zij niet per openbaar vervoer kan reizen. Van wezenlijk nieuwe gezichtspunten is geen sprake. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep enige medische verklaring ter onderbouwing van haar standpunt(en) overgelegd. De Raad kan zich wat de medische kant van de zaak betreft dan ook geheel vinden in de overwegingen en oordelen van de rechtbank dienaangaande en maakt deze tot de zijne. 5.2.2. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft deelt de Raad niet het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven om (de enkele) reden dat het Uwv hangende de beroepsfase een aantal van de geduide functies heeft laten vallen. Die functies maken deel uit van dezelfde SBC-code, namelijk 372040, waarvoor in plaats is gekomen de functie van samensteller metaalwaren met SBC-code 264140, welke reeds door de primaire arbeidsdeskundige als reservefunctie aan appellante was voorgehouden. In het tijdens de beroepsfase vervangen van één van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies door een reeds in de primaire fase als reserve geduide functie, bestaat onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank is evenwel in de aangevallen uitspraak tevens tot het oordeel gekomen dat het Uwv eerst in de beroepsfase afdoende heeft gemotiveerd dat de in de beroepsfase aan de schatting ten grondslag liggende functies die schatting ook kunnen dragen. Dat oordeel is juist en vormde op zichzelf voldoende reden om over te gaan tot gegrond verklaring van het beroep met vernietiging van het bestreden besluit en met het na vernietiging geheel in stand laten van de rechtsgevolgen van dat besluit. De Raad vermag evenmin als de rechtbank in te zien dat appellante met haar bij de (hiervoor juist geachte) FML vastgelegde medische beperkingen de in de beroepsfase aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. 6. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep van appellante en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling van het Uwv bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) A.C.A. Wit. GdJ