Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0144

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3300 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering te verhogen. Bij nader besluit verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Rechtbank heeft nagelaten te beslissen op verzoek om wettelijke rente. Rechtbank had beroep gegrond dienen te verklaren. Slechte beheersing Nederlandse taal. Onvoldoende toegelicht dat functies van hotelsteward toegankelijk zijn. Verwijzing naar de op 1 oktober 2004 in werking getreden “Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden” is niet toereikend, omdat het in dit geding om een vroegere datum gaat. Er resteren onvoldoende functies.


Uitspraak

07/3300 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 april 2007, 06/5116, in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting vond plaats op 5 december 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Es. Namens het Uwv is verschenen mr. M. de Graaff. II. OVERWEGINGEN 1.1. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar aanleiding van het door appellant gemaakte bezwaar, op 19 april 2005 door het Uwv genomen besluit. Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn weigering van 13 februari 2004 om de WAO-uitkering van appellant te verhogen. 1.2. Op 27 juli 2006 heeft het Uwv zijn besluit van 19 april 2005 gewijzigd en de WAO-uitkering van appellant per 19 juni 2003 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant vanwege zijn medische beperkingen weliswaar zijn werk als tomatenplukker niet meer kan verrichten, maar als inpakker, schoonmaker hotel en keukenhulp gemiddeld zo’n 34% minder kan verdienen dan (het geïndexeerde loon) als tomatenplukker. 2. De rechtbank heeft het beroep, naar het oordeel van de Raad terecht, mede gericht geacht tegen het besluit van 27 juli 2006. Zij heeft het beroep ongegrond verklaard. 3. Het besluit van 19 april 2005 is naar het oordeel van de Raad eerst op 16 juni 2006 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat het daartegen gerichte beroep tijdig is ingesteld. 4. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten; het Uwv betaalt appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand vóór 1 januari 2009 een bedrag van € 644,-. 5.1. Appellant heeft in beroep gevraagd om de vergoeding van wettelijke rente. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten op dat verzoek te beslissen. 5.2. Bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 19 april 2005 heeft appellant in verband met zijn schadevergoedingsverzoek belang behouden. Het beroep tegen dat besluit had de rechtbank gegrond moeten verklaren. De aangevallen uitspraak kan reeds daarom niet in stand blijven. 6.1. De mate van arbeidsongeschiktheid is gestoeld op de verdiensten in drie groepen van functies. In twee van deze functiegroepen worden eisen gesteld aan de beheersing van de Nederlandse taal. In de functies van hotelsteward (keukenhulp) wordt daarnaast spreekvaardigheid in de Engelse taal gevergd. Appellant beheerst de Nederlandse taal slecht en spreekt, naar hij onweersproken door het Uwv stelt, geen Engels. De Raad tekent hierbij aan dat appellant in Turkije basisonderwijs heeft gevolgd, volgens zijn verklaring ter zitting in dat land uitsluitend als schaapherder heeft gewerkt, rond zijn 40e levensjaar naar Nederland is gekomen en hier slechts korte tijd feitelijk werkzaam is geweest. 6.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv onvoldoende overtuigend heeft toegelicht dat de functies van hotelsteward (desondanks) voor appellant toegankelijk zijn. Daartoe is in elk geval niet toereikend de verwijzing naar de op 1 oktober 2004 in werking getreden “Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden”, omdat het in dit geding om een vroegere datum gaat. Ook de arbeidskundige toelichting van 8 november 2006 overtuigt de Raad niet. Niet alleen verwijst die toelichting naar een andere functie (inpakster koekjes), belangrijker is dat deze toelichting uitgaat van andere (mindere) opleidingseisen dan die uit de arbeidsmogelijkhedenlijst blijken. 6.3. Hiermee resteren onvoldoende functies om de schatting te kunnen dragen. De overige beroepsgronden kunnen onbesproken blijven. 7. Het hoger beroep slaagt. Het beroep tegen het besluit van 27 juli 2006 is (ook) gegrond en dat besluit moet wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het door appellant gemaakte bezwaar. 8. Waar thans niet kan worden vastgesteld of en in welke mate de door appellant gevraagde wettelijke rente kan worden toegewezen, zal de Raad zich van een oordeel onthouden. Het Uwv zal in zijn nadere besluitvorming ook hierover een beslissing moeten nemen. 9. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten, wegens de aan hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor de rechtbankprocedure en € 644,- voor het hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten; Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om € 1.288,- aan proceskosten te vergoeden, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 144,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Dierdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) R.C. Stam. (get.) C. Dierdorp. JL