
Jurisprudentie
BH0139
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1201 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1201 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Door rechtbank is een deskundige ingeschakeld. In de aan de schatting ten grondslag liggende functies komt het percentage aan onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden niet boven de 10. Dit is in overeenstemming met het standpunt van de deskundige over de mate waarin het voor appellant mogelijk moet zijn om beschermende handschoenen te dragen.
Uitspraak
07/1201 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 februari 2007, 06/521 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.D. van der Heiden, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heiden, en voor het Uwv is verschenen A.J. van Loon.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 11 juli 2001 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
19 september 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van 25 januari 2002 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 11 juli 2001 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan appellant met ingang van 19 september 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.Bij uitspraak van 27 september 2004 heeft de rechtbank Middelburg het besluit van 25 januari 2002 vernietigd.Het Uwv heeft bij besluit van 9 februari 2005 (bestreden besluit) het bezwaar opnieuw gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 19 september 2001 wederom vastgesteld op 25 tot 35%.
2.1. De rechtbank heeft dermatoloog dr. H.J.L. van Gerwen als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft op 28 augustus 2006 aan de rechtbank gerapporteerd. Hij kan zich niet geheel verenigen met de voor appellant geldende belastbaarheid en acht appellant aanvullend beperkt op de volgende onderdelen: fijn werk met de vingertoppen, blootstelling aan stof, rook, gas en/of damp en blootstelling langer dan 4 uur aan relatieve luchtvochtigheid hoger dan ca. 90%. Van Gerwen heeft de vraag of appellant naar zijn mening in staat is de aan hem als passende arbeidsmogelijkheden voorgehouden functies te vervullen als volgt beantwoord:
“Werk waarbij een substantieel deel van het werk onderhoud aan en schoonmaken van machines nodig is, dient te worden afgeraden, tenzij dat werk uit te voeren is met goede preventie d.m.v. handschoenen.”
De deskundige ziet alleen problemen bij de functie houtzager; de overige functies zijn naar zijn mening redelijkerwijs uitvoerbaar. In zijn brief van 1 november 2006 heeft Van Gerwen gereageerd op het commentaar van appellant op het rapport. Hij blijft bij zijn standpunt dat er geen bezwaar is tegen het kortdurend dragen van handschoenen om enkele werkzaamheden te kunnen verrichten waarbij bescherming gewenst is. Kortdurend handschoen-gebruik is volgens Van Gerwen geen bezwaar, mits dit zich beperkt tot 10% of minder van de normale werkzaamheden.
2.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de deskundige of de zorgvuldigheid waarmee het tot stand is gekomen. Gelet op het feit dat de deskundige de belastbaarheid niet geheel onderschrijft en niet alle functies passend acht, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit rust op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat appellant per 19 september 2001 in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de overige vier geselecteerde functies (fb-codes 9742, 9717, 9714 en 9718) te verrichten. Een en ander leidt niet tot een andere klasse-indeling. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank besluiten genomen omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep (alleen gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit) aangevoerd dat de functies met de fb-codes 9742, 9717, 9714 en 9718 niet passend zijn. Appellant blijft erbij dat werk waarbij hij een substantieel deel van de werktijd handschoenen moet dragen voor hem niet geschikt is. Appellant is van mening dat het onduidelijk is hoe lang en hoe vaak hij bij de uitoefening van de voor hem als passende arbeidsmogelijkheden genoemde functies handschoenen moet dragen en dat die functies daarom niet passend zijn.
3.2. De Raad overweegt als volgt.
3.3. De Raad gaat - evenals de rechtbank - uit van de door de rechtbank in beroep als deskundige geraadpleegde dermatoloog Van Gerwen aangescherpte belastbaarheid. Deze arts heeft zich in zijn rapport op het standpunt gesteld dat werk waarbij een substantieel deel van de werkzaamheden bestaat uit onderhoud en schoonmaak van machines dient te worden afgeraden, tenzij dat werk is uit te voeren met goede preventie door middel van handschoenen. In de brief van 1 november 2006 heeft de deskundige gesteld dat er geen bezwaar is tegen het kortdurend dragen van handschoenen om enkele werkzaamheden te kunnen verrichten waarbij bescherming gewenst is.
3.4. Blijkens de verkorte functie-omschrijvingen komt in de aan de schatting ten grondslag liggende functies het percentage aan onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden niet boven de 10. Dit is in overeenstemming met het standpunt van de deskundige over de mate waarin het voor appellant mogelijk moet zijn om beschermende handschoenen te dragen. Overigens blijkt niet uit de verkorte functie-omschrijvingen dat in de overige werkzaamheden (zijnde niet onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden) het dragen van handschoenen noodzakelijk is.
3.5. Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat, aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
3.6. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient - voor zover aangevochten - te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op
16 januari 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.A. Wit.
TM