Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0136

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4876 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juiste en zorgvuldige vaststelling medische beperkingen. Geen aanleiding tot twijfel aan de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. Niet is gebleken dat appellante op de datum in geding niet in staat kon worden geacht de aan haar voorgehouden functies te vervullen.


Uitspraak

06/4876 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 juli 2006, 06/1117 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Delft. Het Uwv was vertegenwoordigd door J. van den Elsaker. II. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 17 augustus 2005 is de aan appellante toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, vanaf 18 oktober 2005 ingetrokken. 1.2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 januari 2006 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 17 januari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er gelet op de beschikbare medische gegevens geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellante per 18 oktober 2005.Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aan appellante als passende arbeidsmogelijkheden voorgehouden functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid en dat de arbeidsdeskundige F. Mulder in het rapport van 4 augustus 2005 voldoende heeft gemotiveerd dat op de zogenoemde niet-matchende items de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep wederom haar klachten beschreven en gesteld dat er in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 april 2005 onvoldoende rekening is gehouden met de lichamelijke en fysieke problemen waarmee zij kampt; zij kan dan ook de aan haar voorgehouden functies niet vervullen. 3.2. De Raad overweegt als volgt. 3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om aan te nemen dat vanwege het Uwv de medische beperkingen onjuist danwel onzorgvuldig zijn vastgesteld. 3.4. De verzekeringsarts J.T.M. Schneijdenberg heeft blijkens zijn rapportages van 7 april 2005 en 13 juni 2005 na onderzoek van appellante en na kennisneming van de bij haar huisarts opgevraagde informatie, geconstateerd dat er geen sprake is van ernstige lichamelijke pathologie. De klachten over pijn in de rug en de armen zijn myogeen; de verzekeringsarts acht niet uitgesloten dat deze klachten een uiting zijn van psychische spanningsproblematiek. Er is sprake van psychosociale problematiek, echter, afgaande op het gedrag, de bezigheden, de aard van de klachten en de soort behandeling is de verzekeringsarts van mening dat er geen sprake (meer) is van een ernstige depressie. Appellante wordt in staat geacht om “fysiek niet al te zwaar werk” en psychisch “geen al te zeer stresserend werk” te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever heeft op basis van bestudering van het dossier, waaronder de medische informatie die door appellante in de bezwaarprocedure is overgelegd, aangegeven dat de primaire verzekeringsarts in de FML ruim voldoende rekening houdt met de door appellante geuite klachten. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het onderzoek door de artsen Schneijdenberg en Wever zorgvuldig is geweest en dat hun conclusies afdoende zijn onderbouwd. Appellante heeft op 25 november 2008 medische informatie van recente datum ingediend, onder andere van een neuroloog en een internist. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv – met instemming van appellante – de schriftelijke reactie van bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben op deze medische stukken overgelegd. Deze houdt in dat deze informatie is opgesteld ná de datum in geding en dat er geen nieuwe diagnoses in staan vermeld, zodat er op grond van deze informatie geen aanleiding bestaat tot twijfel aan de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. De Raad stemt met deze reactie in. 3.5. Het is de Raad, uitgaande van de op 11 april 2005 vastgestelde FML, niet gebleken dat appellante op de datum in geding, 18 oktober 2005, niet in staat kon worden geacht de bij wijze van voorbeeld aan haar voorgehouden functies te vervullen. 4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) A.C.A. Wit. TM