Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0117

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-16
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/37994
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats, van 12 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op voorhand niet vaststaat dat in Noord-Irak geen sprake is van een conflict, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De voorzieningenrechter heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 juni 2007 vernietigd, omdat verweerder ten onrechte heeft nagelaten aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn te toetsen. Bij uitspraak van 17 oktober 2008 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 12 juli 2007 vernietigd en de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet RvS naar de rechtbank teruggewezen. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de provincie Dohuk, in Noord-Irak, sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat hiervan geen sprake is. Bij uitspraak van 19 september 2008 heeft de Afdeling (200705250/1) overwogen dat – na toetsing aan de vraag of ten tijde van het bestreden besluit al dan niet sprake was van een binnenlands gewapend conflict – de vreemdeling op geen enkele wijze heeft aangetoond dat zich thans een gewapend conflict voordoet. De rechtbank leest hierin dat er naast de toetsing van de situatie ten tijde van de totstandkoming het bestreden besluit eveneens toetsing van de situatie plaatsvindt ten tijde van de rechterlijke beoordeling. De rechtbank ziet zich, gelet op het voorgaande allereerst, voor de vraag gesteld of ten tijde van het bestreden besluit al dan niet sprake was van een binnenlands gewapend conflict. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of voornoemde uitspraak van de Afdeling van 19 september 2008 bij de beoordeling kan worden betrokken. Uit een uitspraak van de Afdeling van 29 september 2006 (LJN: AZ0069) blijkt dat bij heropening van het onderzoek na terugwijzing artikel 8:58 van de Awb van toepassing is, zodat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Onder nadere stukken moet worden begrepen stukken ter nadere toelichting van de voorgedragen beroepsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in de onderhavige zaak een dergelijke situatie voor. Immers, door eiser is reeds voor de terugwijzing een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze stukken evemin heeft aangetoond dat thans sprake is van een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel die in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Gelet hierop heeft eiser niet aangetoond dat in de provincie Dohuk thans sprake is van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Gelet op het voorgaande valt verzoeker niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Aldus is deze bepaling niet aan te merken als een wijziging van recht die voor verzoeker relevant is. Derhalve is het beroep ongegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Vreemdelingenkamer Nevenzittingsplaats Arnhem Registratienummer: AWB 08/37994 Datum uitspraak: 15 januari 2009 Uitspraak Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) inzake [de vreemdeling], geboren op [geboortedatum], v-nummer [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, eiser, gemachtigde mr. J.J.J. Jansen, tegen de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verweerder. Het procesverloop Bij besluit van 22 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 18 juni 2007 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Ter Apel. Op 22 juni 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, van 12 juli 2007 (AWB 07/25796) is het beroep gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Het door verweerder ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 17 oktober 2008 gegrond verklaard. De uitspraak van 12 juli 2007 is vernietigd en de zaak is naar de rechtbank teruggewezen. Eiser heeft op 11 november 2008 een aanvullend beroepschrift met producties ingebracht. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 november 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.A.M. de Groot. Bij brief van 24 december 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder schriftelijke vragen stellen. Bij brief van 6 januari 2009 heeft verweerder hierop gereageerd. Bij brieven van 9 januari 2009 (verweerder) en 14 januari 2009 (eiser) hebben partijen vervolgens toestemming gegeven uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. De rechtbank heeft bij brief van 14 januari 2009 het onderzoek zonder nadere zitting gesloten. De beoordeling 1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. 2. Op 10 maart 2003 heeft eiser een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 21 december 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Dat besluit is na de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, van 27 juni 2006 in rechte vast komen te staan. 3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser van 18 juni 2007 afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser aan zijn herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd in de zin van artikel 4:6 van de Awb. 4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Definitierichtlijn) biedt een ruimere bescherming dan artikel 29 van de Vw 2000. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor deze ruimere bescherming. Ter onderbouwing van dit standpunt legt eiser diverse stukken over. Voorts heeft eiser zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2008 (200705250/1) blijkt dat voor de vraag of in het land van herkomst sprake is van een gewapend conflict niet alleen de situatie ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit relevant is, maar ook de situatie ten tijde van de rechterlijke toetsing. 5. Bij uitspraak van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, van 12 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op voorhand niet vaststaat dat in Noord-Irak geen sprake is van een conflict, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De voorzieningenrechter heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 juni 2007 vernietigd, omdat verweerder ten onrechte heeft nagelaten aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn te toetsen. 6. Bij uitspraak van 17 oktober 2008 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 12 juli 2007 vernietigd en de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State (hierna: Wet RvS) naar de rechtbank teruggewezen. De Afdeling heeft overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn slechts dan een relevante wijziging van recht voor de vreemdeling is, indien hij valt onder de reikwijdte van dit artikel. De rechtbank zal dan ook hebben te beoordelen of eiser heeft aangetoond of ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit sprake was van een gewapend conflict in de provincie Dohuk dan wel op dat moment in die provincie sprake was van gevolgen voor hem van een elders in Irak bestaand gewapend conflict. Voorts zal de rechtbank moeten beoordelen of hetgeen de vreemdeling voor het overige in de bestuurlijke fase heeft aangevoerd als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kan worden aangemerkt. 7. De rechtbank stelt de omvang van het geding na terugwijzing van de onderhavige zaak door de Afdeling als volgt vast. Ingevolge artikel 44 van de Wet RvS, voor zover thans van belang, wijst de Afdeling een zaak terug naar een rechtbank, die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien zij van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2005 (JV 2005/190) dient artikel 44 van de Wet RvS zo te worden opgevat dat een teruggewezen zaak moet worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding, zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de Afdeling aangaande de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing. 8. Bij brieven van 11 november 2008 en 17 november 2008 heeft eiser een aanvulling gegeven op de beroepsgronden en diverse stukken ingebracht. 9. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt ingediend. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten en omstandigheden worden vermeld. 10. Ter beoordeling staat derhalve of eiser aan de onderhavige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat besluit rust. 11. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling valt op te maken dat artikel 4:6 van de Awb blijkens de wetsgeschiedenis niet ziet op de situatie dat het recht wordt gewijzigd. Indien het voor de aanvraag relevante recht wordt gewijzigd, kan ook zonder dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een nieuwe aanvraag worden ingediend, die op grond van de dan geldende bepalingen wordt beoordeeld. Hieruit volgt dat in de onderhavige zaak allereerst dient te worden getoetst of artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan worden aangemerkt als een voor eiser relevante wijziging van recht. 12. De rechtbank overweegt als volgt. 13. Eiser heeft de onderhavige aanvraag ondersteund met de volgende documenten: 1. Een opinion paper van maart 2008 van het International Committee of the Red Cross; 2. een passage uit het algemeen ambtsbericht van juni 2008; 3. een internetartikel van het Institute for war & peace reporting, ongedateerd; 4. een artikel genaamd Turkish warplanes strike nothern Iraq, van 11 juni 2008; 5. diverse internetartikelen van BBC, van 18 mei 2007, 5 juni 2007, 8 juni 2007 en 9 juni 2007; 6. internetartikelen van guardian.co.uk, van 1 juni 2007 en 20 augustus 2007; 7. internetartikelen van Radio Free Europe/Radio Liberty, van 29 augustus 2007 en 4 september 2007; 8. een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen van 29 augustus 2008; 9. een rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe, van 14 augustus 2008; 10. diverse kranten- en internetartikelen. 14. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat in Noord-Irak geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. 15. Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, overweegt de rechtbank volgt. 16. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn luidt als volgt: “Ernstige schade bestaat uit: ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.” 17. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2008 (200701108/1) valt een vreemdeling ten aanzien van wie na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen en die afkomstig is uit een land waar zich, naar door hem gesteld, een binnenlands gewapend conflict voordoet, eerst onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, indien hij heeft aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict in het deel van het land, van waaruit hij afkomstig is, dan wel op dat moment in dat deel sprake was van gevolgen voor hem van een elders in dat land bestaand gewapend conflict. 18. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2008 (200608939/1) is in ieder geval sprake van een binnenlands gewapend conflict indien een gewapend conflict plaatsvindt op het grondgebied van een land tussen de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land en een andere georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel die het grondgebied van dat land gedeeltelijk beheerst op een zodanige wijze dat zij in staat is aanhoudende en samenhangende militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. 19. Bij uitspraak van 19 september 2008 heeft de Afdeling (200705250/1) overwogen dat – na toetsing aan de vraag of ten tijde van het bestreden besluit al dan niet sprake was van een binnenlands gewapend conflict – de vreemdeling op geen enkele wijze heeft aangetoond dat zich thans een gewapend conflict voordoet. Het door de vreemdeling aangevoerde kon derhalve niet als relevant in de zin van artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 worden aangemerkt. De rechtbank leest hierin dat er naast de toetsing van de situatie ten tijde van de totstandkoming het bestreden besluit eveneens toetsing van de situatie plaatsvindt ten tijde van de rechterlijke beoordeling. 20. De rechtbank ziet zich, gelet op het voorgaande allereerst, voor de vraag gesteld of ten tijde van het bestreden besluit al dan niet sprake was van een binnenlands gewapend conflict. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank acht allereerst van belang dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat in Noord-Irak geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Eiser heeft, ter onderbouwing van zijn standpunt dat wel sprake is van een binnenlands gewapend conflict, diverse stukken overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat met de overgelegde stukken niet is gebleken dat ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit een georganiseerde gewapende groep het grondgebied van Irak gedeeltelijk beheerste op een zodanige wijze dat zij in staat was in deze provincie militaire operaties uit te voeren. Aldus heeft eiser niet aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit in de provincie Dohuk sprake was van een binnenlands gewapend conflict. Eiser heeft evenmin aangetoond dat hij gevolgen heeft ondervonden van een gewapend conflict elders in Irak. 21. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of voornoemde uitspraak van de Afdeling van 19 september 2008 bij de beoordeling kan worden betrokken. Uit een uitspraak van de Afdeling van 29 september 2006 (LJN: AZ0069) blijkt dat bij heropening van het onderzoek na terugwijzing artikel 8:58 van de Awb van toepassing is, zodat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Onder nadere stukken moet worden begrepen stukken ter nadere toelichting van de voorgedragen beroepsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in de onderhavige zaak een dergelijke situatie voor. Immers, door eiser is reeds voor de terugwijzing een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. 22. Ter onderbouwing van zijn stelling dat thans sprake is van een binnenlands gewapend conflict in de provincie Dohuk heeft eiser verwezen naar de stukken genoemd in rechtsoverweging 13. 23. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze stukken evemin heeft aangetoond dat thans sprake is van een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel die in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Gelet hierop heeft eiser niet aangetoond dat in de provincie Dohuk thans sprake is van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. 24. Gelet op het voorgaande valt verzoeker niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Aldus is deze bepaling niet aan te merken als een wijziging van recht die voor verzoeker relevant is. 25. Uit het voorgaande volgt dat vervolgens de vraag beantwoord dient te worden of er zich nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb hebben voorgedaan. 26. Voor zover eiser zich, in de gronden van beroep van 3 juli 2007, op het standpunt stelt dat verweerder een beleid van categoriale beschermingsbeleid voor Noord-Irak dient te voeren, kan dit niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. 27. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ter zake van het (niet) voeren van een categoriaal beschermingsbeleid verweerder een grote beoordelingsruimte toekomt, welke de toepasselijke rechterlijke toetsing slechts dan niet kan doorstaan indien verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan niet in redelijkheid tot een bepaalde beoordeling heeft kunnen komen. De rechter dient bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst en de noodzaak tot het voeren van zodanig beleid, dat tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel te respecteren. 28. Uit het algemeen ambtsbericht van juni 2008 blijkt dat het in de KRG-gebieden in de verslagperiode, evenals in de voorgaande verslagperiode, rustiger was dan in de rest van het land. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van dit ambtsbericht in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat een categoriaal beschermingsbeleid te voeren. Met betrekking tot de door eiser overgelegde van na het ambtsbericht daterende documenten en de daarin opgenomen informatie, is de rechtbank van oordeel dat deze documenten wel nieuw zijn maar op voorhand niet kan afdoen aan het eerdere in rechte vaststaande besluit. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de veiligheidssituatie in Noord-Irak, niet zodanig in negatieve zin is veranderd dat beleidsaanpassing nodig is. De door eiser ingebrachte documenten kunnen om die reden niet worden aangemerkt als nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb. 29. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.A.P. van der Roest en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2009 in tegenwoordigheid van mr. M. van Esveld als griffier. de griffier de rechter?