
Jurisprudentie
BH0110
Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-16
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAwb 08/1050
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-16
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAwb 08/1050
Statusgepubliceerd
Indicatie
Rechtbank verklaart beroep tegen weigering bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een transformatorhuisje in Tollebeek ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer
Registratienummer: Awb 08/1050
Uitspraak
in het geding tussen:
(...)
gevestigd te Emmeloord, eiser,
gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer,
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder,
verweerder.
1.Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2008 heeft verweerder geweigerd aan eiser bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een transformatorhuisje op het perceel plaatselijk bekend (..) te Tollebeek, en kadastraal bekend gemeente Noordoostpolder, sectie E, nr. 1928. Bij brief van 14 februari 2008 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit van 1 juli 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen het besluit op bezwaar heeft eiser bij brief van 2 juli 2008, aangevuld bij brieven van 10 juli 2008, 11 augustus 2008 en 15 augustus 2008, beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 2 december 2008 ter zitting gevoegd behandeld met de zaak met registratienummer 07/842. Eiser is verschenen bij gemachtigde mr. H.H. van Stijn, kantoorgenoot van mr. Kobossen voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.T. van Meijel, mr. P.K. Mintjes en N.E. Christiaens.
Na de zitting heeft de rechtbank de beroepen weer gesplitst.
2.Overwegingen
Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO respectievelijk de Woningwet van toepassing op aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend vóór 1 juli 2008.
Eiser, eigenaar van het bovenomschreven perceel, heeft bouwvergunning gevraagd voor een transformatorhuisje, dat zich feitelijk al sinds 2004 op dit perceel bevindt.
Bij besluit van 26 september 2006, gehandhaafd bij het in de gevoegde zaak bestreden besluit van 17 april 2007, heeft verweerder eiser op straffe van een dwangsom gelast om het betreffende transformatorhuisje, tezamen met twee windturbines, te verwijderen.
Verweerder heeft de gevraagde bouwvergunning geweigerd op de grond dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de planvoorschriften hem niet de bevoegdheid toekennen om vrijstelling te verlenen. Voor het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO ziet verweerder geen aanleiding.
In beroep heeft eiser, onder verwijzing naar zijn bezwaarschrift, in de eerste plaats aangevoerd dat het transformatorhuisje niet vergunningplichtig is, op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Subsidiair heeft eiser betoogd dat verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO had moeten verlenen.
Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet (Ww) is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bblb wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in in artikel 5, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt het bouwen van een gebouw ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1º. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 3 m, en
2º. de bruto-oppervlakte minder is dan 15 m2.
Niet in geschil is dat de energie die het gebruik van de windmolens oplevert niet uitsluitend wordt gebruikt door het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf van eiser, maar ook wordt geleverd aan energiebedrijven. Derhalve is het transformatorhuisje in die zin aan te merken als “een gebouw ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening” als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bblb.
In de zaak met registratienummer 07/842, waarin de rechtbank heden uitspraak doet, heeft de rechtbank geoordeeld dat de windturbines in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ww zijn opgericht en dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten ter zake handhavend op te treden. Derhalve moeten de windturbines worden verwijderd. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat de oude windturbines reeds zijn afgebroken, is de rechtbank van oordeel dat het transformatorhuisje niet (meer) kan worden aangemerkt als “een gebouw ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening”. Reeds hierom kan het transformatorhuisje niet als een bouwvergunningsvrij bouwwerk worden aangemerkt.
De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat het transformatorhuisje hoger is dan drie meter, in aanmerking genomen dat voor wat betreft de meting van de hoogte daarvan moet worden uitgegaan van de situatie van vóór de ophoging van het terrein ter plaatse. In de toelichting op het Bblb is vermeld dat in een aantal situaties de hoogte van een bouwwerk moet worden gemeten ná de voor de bouw noodzakelijke ophoging van het terrein. Naar het oordeel van rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is van een voor de bouw van het transformatorhuisje noodzakelijke ophoging van het terrein. Nu het ervoor moet worden gehouden dat het transformatorhuisje hoger is dan drie meter, wordt niet voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder h, ten eerste, van het Bblb. Derhalve is het transformatorhuisje ook om die reden geen bouwvergunningsvrij bouwwerk.
Van toepassing is het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2004”. Op de bij dit bestemmingsplan behorende kaart is het betreffende perceel aangeduid als “agrarisch gebied” en met “openheid van het landschap”.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als “agrarisch gebied” aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijvigheid.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften wordt onder agrarische bedrijvigheid verstaan: bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in de in de bepaling opgesomde soorten.
Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften mag binnen elk op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak op gronden als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend worden gebouwd de bij een agrarisch bedrijf behorende bebouwing.
Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, sanitaire units, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 m en de inhoud niet meer dan 50 m3 mag bedragen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het opwekken van windenergie niet is aan te merken als agrarische activiteit, aangezien windenergie niet ontstaat door het telen van gewassen en/of het fokken van dieren. Het transformatorhuisje is dan ook in strijd met de planvoorschriften, zodat geen bouwvergunning kan worden verleend.
Nu het transformatorhuisje niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk van openbaar nut, kan geen binnenplanse vrijstelling worden verleend.
Ingevolge 46, derde lid, van de Ww (oud) moet de aanvraag om bouwvergunning tevens worden gezien als een verzoek om vrijstelling.
In de zaak met registratienummer 07/842 heeft verweerder zijn (uitsterf-)beleid met betrekking tot solitaire windmolens uiteengezet. Gelet op dit door de rechtbank niet onredelijk geachte beleid is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.
Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.Beslissing
De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.G. Wijma, voorzitter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal als griffier, op
Afschrift verzonden op: