
Jurisprudentie
BH0082
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2139 WAO + 08/1822 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2139 WAO + 08/1822 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Uwv heeft te kennen gegeven besluit niet te handhaven. Vernietiging aangevallen uitspraak en bestreden besluit. Nieuw besluit is nieuw primair besluit en geen 6:18 Awb besluit. Voorlopig oordeel Raad.
Uitspraak
05/2139 WAO + 08/1822 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2005, 03/2832 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.J. van ‘t Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2007. Namens appellante is verschenen mr. Van ‘t Hoff. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv bij brief van 24 december 2007 inlichtingen verstrekt.
Bij brief van 11 maart 2008 heeft het Uwv een nieuw besluit van die datum en een rapport van bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden van 24 januari 2008 ingezonden. Hierop is namens appellante gereageerd bij brief van
21 april 2008.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellante, ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van ’t Hoff. Het Uwv, eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als schadebehandelaar bij een verzekeringsmaatschappij voor 20 uur per week, toen zij in januari 1996 uitviel met chronische rugklachten en klachten van de linkerhand en -arm alsmede het linkerbeen. In verband daarmee is haar per 6 januari 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.
1.2. Per 15 november 1997 is appellante in dienst getreden bij de rechtbank Breda in de functie van adjunct parketsecretaris voor 32 uur per week. Sedertdien is de WAO-uitkering van appellante met toepassing van artikel 44 van de WAO niet meer tot uitbetaling gekomen. Per 1 januari 2000 is de omvang van appellantes aanstelling teruggebracht naar 28 uur per week. Bij besluit van 20 februari 2002 is de WAO-uitkering van appellante per 1 maart 2002 ingetrokken. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 september 2002 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 30 september 2002 zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
1.3. Inmiddels had appellante in november 2001 klachten gekregen aan de rechterschouder met uitstraling naar de nek, het hoofd en de rechterarm. In verband daarmee is zij enige tijd ziek geweest. Op 19 februari 2002 heeft appellante zich met dezelfde rechterschouder- en rechterarmklachten ziek gemeld voor 6 uur per week. Sindsdien werkte appellante 22 uur per week.
1.4. Naar aanleiding van de ziekmelding van 19 februari 2002 heeft in maart 2003 een nieuwe einde - wachttijd - beoordeling plaatsgehad, die resulteerde in het standpunt dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 31 maart 2003 heeft het Uwv geweigerd appellante per 18 februari 2003 een WAO-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 1 september 2003 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2003 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld overweegt de Raad als volgt.
3.1.1. Ter zitting van de Raad van 21 maart 2007 heeft de gemachtigde van het Uwv erkend dat per 18 februari 2002 geen nieuwe wachttijd kon aanvangen, omdat appellante tot 1 maart 2002 recht had op een WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Hierop heeft de Raad het Uwv verzocht aan te geven welke consequenties dit nadere standpunt heeft voor het bestreden besluit en de vraag voorgelegd op welke datum wel een nieuwe wachttijd zou kunnen aanvangen. In zijn brief van 24 december 2007 heeft het Uwv meegedeeld dat het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag. Voorts is een nieuw besluit op bezwaar van 11 maart 2008 toegezonden.
3.1.2. De Raad stelt vast dat het Uwv het standpunt zoals neergelegd in het bestreden besluit niet langer handhaaft. Gelet hierop dient dit besluit te worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.
3.2. Vervolgens staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of het nieuwe besluit van 11 maart 2008 een besluit is als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. In dat verband overweegt de Raad het volgende.
3.2.1. Bij het besluit van 11 maart 2008 heeft het Uwv de claim van appellante dat zij per 19 februari 2002 toegenomen arbeidsongeschikt is, opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 26 juni 2002 en dit verzoek met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen op de grond dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd ten aanzien van de datum 1 maart 2002. Ter zitting van de Raad van 3 december 2008 heeft de gemachtigde van het Uwv erkend dat het besluit van 11 maart 2008 in feite een nieuw primair besluit is met betrekking tot de datum 1 maart 2002 en dus geen besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Voorts heeft de gemachtigde meegedeeld dat het besluit van 11 maart 2008 niet langer wordt gehandhaafd.
4. Hetgeen in 3.2 en 3.2.1 is overwogen heeft tot gevolg dat het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 september 2003 zal moeten beslissen. Daarbij geeft de Raad, gelet op hetgeen in het hoger beroepschrift en ter zitting van de Raad is aangevoerd, het Uwv het volgende in overweging.
4.1. Naar voorlopig oordeel van de Raad zou op 2 maart 2002 een nieuwe wachttijd kunnen zijn aangevangen. De Raad laat daarbij in het midden of het daarbij gaat om toepassing van artikel 43a van de WAO of artikel 47 van de WAO.
4.2. Voorts is de Raad uit het rapport van bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof van 1 juli 2003 gebleken dat het Uwv thans als maatman hanteert de functie van adjunct parketsecretaris met een urenomvang van 28 uur per week. Bij de vaststelling van de belasting in deze functie in december 1997 is het Uwv ervan uitgegaan dat appellante beschikte over een spraakcomputer ter ontlasting van haar armen. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is namens appellante naar voren gebracht dat het spraakherkenningsprogramma niet heeft gewerkt, waardoor appellante daarvan geen gebruik heeft kunnen maken. Dit heeft tot gevolg gehad dat zij, nu zij het gebruik van de linkerarm mist, de computer uitsluitend met haar rechterarm heeft moeten bedienen en dat heeft weer geleid tot overbelasting van de rechterarm en de gedeeltelijke ziekmelding per 19 februari 2002. Sedertdien heeft appellante niet meer 28 uur per week, maar 22 uur per week gewerkt. Zij is dus voor 6 uur per week arbeidsongeschikt gebleven.
4.3. Appellante heeft aangevoerd dat de belasting in de functie van parketsecretaris met een urenomvang van 28 uur per week vergelijkbaar is met de belasting in de oude functie van schadebehandelaar voor 20 uur per week. Voor laatstgenoemde functie is appellante in 1997 vanwege de armbelasting ongeschikt geacht. Gelet op het vorenstaande ligt het in de rede dat het Uwv nader onderzoek doet naar de arm-, nek- en schouderbelasting in de functie van adjunct-parketsecretaris zoals die functie ten tijde van de ziekmelding per 19 februari 2002 diende te worden vervuld in relatie tot de door appellante ervaren rechterarmklachten en de consequenties die deze klachten hebben gehad voor de functievervulling nadien.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.610,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.L. de Gier.
GdJ