
Jurisprudentie
BH0078
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5813 WAO + 08/4109 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5813 WAO + 08/4109 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit herziening naar 35-45%. Zorgvuldig medisch onderzoek. Adequate medische en arbeidskundige onderbouwing. Indicatie voor de WSW in het onderhavige geding niet van belang.
Uitspraak
06/5813 WAO en 08/4109 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 augustus 2006, 06/555 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de Raad heeft het Uwv bij brief van 11 juli 2008 een nieuwe besluit op bezwaar van die datum (bestreden besluit 2) ingezonden.
Bij brief van 24 juli 2008 heeft het Uwv desgevraagd een rapport van bezwaararbeids-deskundige C.G.H.J. Habets van 17 juni 2008 toegezonden.
Bij brief van 8 september 2008 heeft mr. Schoonbrood in reactie op het nieuwe besluit van 11 juli 2008 aanvullende gronden ingebracht. Daarop heeft het Uwv gereageerd met een rapport van bezwaarverzekeringsarts K. Corten van 18 september 2008 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets van 23 september 2008. Hierop is namens appellant gereageerd met een brief van 1 oktober 2008 gevolgd door een nader rapport van Corten van 27 oktober 2008.
Bij brieven van 13 november 2008 en 26 november 2008 zijn namens appellant nog nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. Schoonbrood. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Prudon.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker vleesverwerking, toen hij eind 1992 uitviel met been- en voetklachten. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Deze uitkering is per 3 januari 1995 ingetrokken, maar per 12 februari 1998 heropend naar dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse.
Op 7 juli 2005 heeft een medisch heronderzoek plaatsgehad. Daarbij zijn voor appellant beperkingen aangenomen ten aanzien van aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Deze beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na functieselectie heeft een arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 7 oktober 2005 de WAO-uitkering van appellant ingetrokken per 5 december 2005. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 24 februari 2006 (bestreden besluit 1).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank enige beroepsgronden ten onrechte niet heeft besproken en de tegen de passendheid van de geselecteerde functies aangevoerde gronden onvoldoende heeft weerlegd. Appellant stelt dat bestreden besluit 1 berust op een onzorgvuldige medische onderbouwing. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de medische situatie ongewijzigd is, hoewel hij gewijzigde beperkingen heeft aangenomen ten opzichte van de in 2002 naar aanleiding van een herbeoordeling in januari 2000 opgestelde FML. Appellant meent dat de in 2000 aangenomen fysieke beperkingen juist zijn, maar dat nu gezien de psychische klachten ook psychische beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Appellant is voorts van mening dat de markeringen op de functiebelastingen onvoldoende zijn toegelicht. Bovendien heeft appellant niet opleidingsniveau 2 maar 1.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bestreden besluit 1 berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Er was informatie beschikbaar van de huisarts. Voorts is de Raad van oordeel dat bestreden besluit 1 berust op een adequate medische onderbouwing. In dat verband merkt de Raad op dat de FML van 7 juli 2005 ten opzichte van de FML van 2002 alleen een aanpassing laat zien op het aspect buigen. Op dat aspect is in de FML van 2002 aangegeven dat appellant zo nodig tijdens ongeveer een uur per werkdag frequent kon buigen met daarbij de opmerking dat er bij zittend buigen geen beperking was. Op de FML van juli 2005 is appellant op dat aspect belastbaar geacht volgens de normaalwaarde. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die er op wijzen dat in de FML van juli 2005 de belastbaarheid van zijn rug is overschat. Voorts heeft appellant zijn stelling dat in 2005 psychische beperkingen aan de orde waren niet met medische gegevens onderbouwd.
4.2. De Raad stelt vast dat het Uwv met bestreden besluit 2, als gevolg van een heroverweging van de arbeidskundige onderbouwing van de schatting, zijn standpunt heeft gewijzigd en heeft bepaald dat de WAO-uitkering van appellant per
5 december 2005 wordt herzien en nader vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Gelet hierop kan bestreden besluit 1 niet in stand blijven. Bestreden besluit 1 dient te worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dit besluit ongegrond is verklaard.
4.3. Voorts stelt de Raad vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel is tegemoetgekomen aan het beroep. Gelet daarop wordt het beroep met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2.
4.4.1. Ten aanzien van bestreden besluit 2 stelt de Raad vast dat met dit besluit geen wijziging is gebracht in de medische onderbouwing van de schatting per 5 december 2005.
4.4.2. De arbeidskundige onderbouwing van de schatting berust thans op de functies inpakker (SBC-code 111190), bediende fotolaboratorium (SBC-code 268050) en machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122). De Raad is van oordeel dat de functies onder deze drie SBC-codes qua opleidingsniveau en belasting voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Anders dan appellant meent, is het opleidingsniveau van appellant, die volledig basisonderwijs heeft gevolgd, terecht op 2 gesteld. De Raad is voorts van oordeel dat met de in het kader van de hernieuwde besluitvorming uitgebrachte rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige zeer uitvoerig is toegelicht en aannemelijk gemaakt waarom de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. In dat verband wijst de Raad ook nog op de toelichting van de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad met betrekking tot de aanpassing van de plaats van een mogelijk aanwezig voetpedaal in de functie machinaal metaalbewerker.
4.4.3. Voorts wijst de Raad erop dat gelet op de datum in geding, 5 december 2005, de in het kader van een herbeoordeling in het najaar van 2008 opgestelde FML en de indicatie voor de WSW van 11 september 2008 in het onderhavige geding niet van belang kunnen zijn.
5. Hetgeen in 4.4.1 tot en met 4.4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat bestreden besluit 2 berust op een adequate medische en arbeidskundige onderbouwing. Dit betekent dat het beroep dat mede gericht wordt geacht tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.L. de Gier.
GdJ