
Jurisprudentie
BH0059
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2537 WAZ + 08/3297 WAZ
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2537 WAZ + 08/3297 WAZ
Statusgepubliceerd
Indicatie
Zelfstandige detaillist in de verkoop van snoep, ijs en tabak voor 70 uur per week. Nader besluit: Toekenning WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Normaalwaarde. Voldoende inzichtelijk en toetsbaar toegelicht dat de door appellant genoemde signaleringen bij de geduide functies blijven binnen de belastbaarheid, zoals weergegeven in de FML. Maatmaninkomen.
Uitspraak
07/2537 WAZ + 08/3297 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2007, 05/1856 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount te Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 5 juni 2008 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum aan de Raad toegezonden.
Namens appellant is hierop gereageerd, waarna het Uwv een aanvullende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten van 25 juni 2008 heeft overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Namens appellant is verschenen R.T. van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was voorheen werkzaam als zelfstandige detaillist in de verkoop van snoep, ijs en tabak voor 70 uur per week, voor welke werkzaamheden hij op 8 december 2003 is uitgevallen wegens klachten aan zijn heup, knieën en rug, alsmede in verband met geheugen- en concentratieproblemen. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 november 2004 na ommekomst van de wettelijke wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, geweigerd aan appellant met ingang van 6 december 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per laatstgenoemde datum minder dan 25% bedroeg. Bij besluit van 10 mei 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 november 2004 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 mei 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, alsmede bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen voor onjuist te houden. Wat betreft de arbeidskundige kant heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv niet alle signaleringen bij de geduide functies, overeenkomstig de jurisprudentie van de Raad, voldoende heeft toegelicht, zodat het besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) diende te worden vernietigd. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen te beslissen op de grieven van appellant met betrekking tot de hoogte van zijn maatmaninkomen.
3. Onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd, heeft appellant in hoger beroep gesteld dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank omtrent de beperkingen, zoals die door de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn opgenomen. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat er onvoldoende geschikte functies aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd en dat de hoogte van zijn maatmaninkomen op een onjuiste wijze is vastgesteld.
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 5 juni 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van appellant gegrond is verklaard. Onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige
C.H.J. de Vries-van Hulten van 26 mei 2008 is besloten aan appellant met ingang van 6 december 2004 een uitkering ingevolge de WAZ toe te kennen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daarbij heeft het Uwv tevens besloten om de kosten van bezwaar in verband met verleende rechtsbijstand, alsmede wettelijke rente over de na te betalen uitkering te vergoeden.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Gelet op artikel 6:24 in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb, is de Raad van oordeel dat het beroep van appellant tegen het besluit van 10 mei 2005 geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 5 juni 2008, nu daarin niet geheel is tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant.
5.2. Ten aanzien van de grieven van appellant met betrekking tot de beperkingen van zijn belastbaarheid, zoals die door de verzekeringsarts in de FML zijn opgenomen, onderschrijft de Raad hetgeen hierover door de rechtbank in de aangevallen uitspraak met juistheid is overwogen. Onder verwijzing naar de in hoger beroep door het Uwv overgelegde rapportages van de bezwaarverzekeringsarts mr. drs. E.J.M. van Paridon van 13 juli 2007 en 22 mei 2008 voegt de Raad daaraan toe dat geen sprake is van overschrijding van de normaalwaarde doordat het Uwv is uitgegaan van de norm van een 40-urige werkweek in plaats van een 70-urige werkweek en dat er overigens op grond van de vigerende standaard “verminderde arbeidsduur” geen reden is een urenrestrictie toe te passen. Wat betreft de door appellant gestelde beperkende toelichtingen is de Raad van oordeel dat genoegzaam wordt voldaan aan de invulinstructie van het Claim- Beoordelings en Borgingssysteem (CBBS), zoals die naar aanleiding van de jurisprudentie van de Raad is geformuleerd.
5.3. Wat betreft de grief van appellant met betrekking tot de geduide functies overweegt de Raad dat, blijkens de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige De Vries-van Hulten van 26 mei 2008, aan het besluit van 5 juni 2008 uiteindelijk vier functies ten grondslag zijn gelegd, te weten monteur loopwerken automaat (SBC-code 271122), monteur (SBC-code 262740), commercieel medewerker accountbureau (SBC-code 317012) en wikkelaar (SBC-code 267050). Zowel wat betreft het aantal geduide functies, als wat betreft het aantal arbeidsplaatsen wordt hiermee voldaan aan het bepaalde in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat gold ten tijde hier van belang. Voorts is de Raad van oordeel dat in de genoemde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, alsmede in haar aanvullende rapportage van 25 juni 2008 voldoende inzichtelijk en toetsbaar is toegelicht dat de door appellant genoemde signaleringen bij de geduide functies blijven binnen de belastbaarheid, zoals weergegeven in de FML en dat hij mitsdien geschikt wordt geacht voor de aan hem voorgehouden functies.
5.4. Met betrekking tot de berekening van het maatmaninkomen overweegt de Raad het volgende. Bij de berekening hiervan hanteert de Raad volgens zijn vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2006, LJN AV9060) de hoofdregel dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is in beginsel uitgegaan dient te worden van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de WAZ wordt uit winst uit onderneming verstaan: de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4. van die wet. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv terecht uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de boekjaren 2000, 2001 en 2002 en van de door appellant gemaakte fiscale keuze omtrent de winstverdeling tussen appellant en zijn echtgenote. In de door appellant aangevoerde grieven ziet de Raad geen aanleiding om van een andersluidende berekening uit te gaan. Naar aanleiding van de grief van appellant met betrekking tot de FOR-dotaties over de jaren 2001 en 2002 overweegt de Raad dat het Uwv deze, gelet op het bepaalde in artikel 3.67 van de Wet inkomstenbelasting 2001, terecht buiten de berekening van de hoogte van het maatmaninkomen heeft gelaten. Op basis van de voorhanden financiële gegevens heeft het Uwv het verlies aan verdiencapaciteit van appellant dan ook terecht vastgesteld op 57,6%, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse van
55 tot 65%.
5.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen moet het beroep van appellant, voor zover dat mede geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 5 juni 2008, ongegrond worden verklaard.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 5 juni 2008 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.L. de Gier.
GdJ