Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9936

Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/582 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische onderbouwing. Eerst in beroep deugdelijke motivering passendheid geduide functies. Wijze van toetsing door de bestuursrechter. Rapportages van Instituut Psychosofia niet gelijk stellen met rapportages van medische deskundigen, zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.


Uitspraak

06/582 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2006, 05/2903 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een andere zaak tussen partijen onder nummer 07/6281 WAO, plaatsgevonden op 20 mei 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden. Na de behandeling ter zitting zijn de beide zaken gesplitst en is de Raad gebleken dat het onderzoek in de onderhavige zaak niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van 23 juni 2008, met als bijlage een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 20 juni 2008, heeft het Uwv een hem door de Raad gestelde vraag beantwoord, waarop – desgevraagd – namens appellant is gereageerd. Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 12 november 2008. Appellant is verschenen bij mr. De Jonge. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst waarna de zaak door de meervoudige kamer is verwezen naar de enkelvoudige kamer. Het geding is andermaal behandeld ter zitting van de Raad van 26 november 2008. Voor appellant is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden. II. OVERWEGINGEN 1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende. 1.2. Na wegens reumatische klachten te zijn uitgevallen voor zijn werkzaamheden als havenarbeider, is appellant door een rechtsvoorganger van het Uwv met ingang van 2 september 1985 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge (onder meer) de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.3. Met ingang van 17 juni 2002 is appellants WAO-uitkering ingetrokken omdat hem rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Nadat appellant per 16 oktober 2003 in vrijheid was gesteld, heeft hij verzocht om heropening van zijn WAO-uitkering met ingang van laatstgenoemde datum. 1.4. Bij besluit van 22 december 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met toepassing van artikel 47b van de WAO met ingang van 16 oktober 2003 wordt heropend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. 2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verlopen en dat de medische belastbaarheid van appellant bij het bestreden besluit niet is overschat maar dat de motivering waarom appellant geschikt wordt geacht voor de geselecteerde functies, ten tijde van het nemen van dat besluit een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde. 2.2. Omdat in beroep bij de rechtbank alsnog de gewenst geachte onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank in het voetspoor van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJN AR4716 e.v., met betrekking tot het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. 3. Het hoger beroep keert zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand kunnen worden gelaten. Het richt zich met name tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de (wijze van totstandkoming van de) medische grondslag van het bestreden besluit. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op een brief van 6 februari 2006 van het Instituut Psychosofia. Appellant bestrijdt daarnaast het oordeel van de rechtbank dat de kosten in verband met door hem in geding gebrachte rapportages van Instituut Psychosofia niet op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. 4.1. Oordeel van de Raad. 4.2. Wat betreft de medische grondslag van de onderhavige schatting overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij, met de rechtbank, geen aanknopingspunten heeft gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellant geen steun. De Raad acht bij het voorgaande van belang dat de verzekeringsartsen kennis hebben genomen van de omtrent appellant uit de behandelend sector (huisarts, orthopeed en reumatoloog) beschikbare gegevens. Het is de Raad niet gebleken dat met die gegevens niet of onvoldoende rekening is gehouden. Het betoog van appellant dat onvoldoende acht is geslagen op de omstandigheid dat appellant lijdende is aan de (zich progressief ontwikkelende) ziekte van Bechterew brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit de stukken blijkt genoegzaam dat de verzekeringsartsen bekend waren met deze aandoening van appellant en dit in hun – op de datum in geding, zijnde 16 oktober 2003, toegespitste – beoordeling hebben betrokken. Aan de eigen mening van appellant en het Instituut Psychosofia met betrekking tot appellants gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen kan de Raad, in aanmerking genomen dat slechts dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht willen zien, nu zij in hun opvatting onvoldoende gesteund worden door van artsen afkomstige gegevens en bevindingen. 4.3. Ten aanzien van de algemene klachten over de onderzoeksmethoden van verzekeringsartsen en de wijze van toetsing daarvan door de bestuursrechter, die appellant heeft aangevoerd, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn ter zake gevormde jurisprudentie, waaronder de uitspraak van 13 juli 2005 (LJN AT9828). 4.4. De grieven ter zake van de wijze waarop de rechterlijke macht met rapporten van medici en het Instituut Psychosofia dient om te gaan slagen evenmin. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN BB5548) wijst de Raad in dit verband op zijn vaste jurisprudentie, neergelegd in een groot aantal uitspraken waarin de gemachtigde van appellant ook als gemachtigde is opgetreden en waarin de Raad zijn oordeel over de door die gemachtigde in die zaken ingediende grieven, die van gelijke strekking zijn als de in deze zaak ingediende grieven, heeft gegeven. 4.5. Bij het voorgaande wijst de Raad er, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 april 1998 LJN ZB7563, nog op dat noch uit artikel 8:69, noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, voortvloeit dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk behoeft in te gaan. 4.6. De Raad heeft voorts, gelet op de in beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Mastrigt van 13 oktober 2005, gelezen in samenhang met diens in hoger beroep ingezonden rapportage van 20 juni 2008, geen twijfel dat de geschiktheid van appellant voor de voor hem geselecteerde functies uiteindelijk voldoende door het Uwv is gemotiveerd. In zijn rapportage van 20 juni 2008 heeft Van Mastrigt, naar aanleiding van een door de Raad gestelde vraag, nader uiteengezet dat en waarom de belasting in de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. De Raad ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat deze toelichting voor onjuist zou moeten worden gehouden. 4.7. Ten aanzien van de bestreden afwijzing van de vergoeding van de hiervoor vermelde rapportages van Instituut Psychosofia verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 mei 2007, LJN BA5367, waarin in een vergelijkbare zaak, in het voetspoor van eerdere jurisprudentie van de Raad, is geoordeeld dat deze rapportages niet gelijk gesteld kunnen worden met rapportages van medische deskundigen, zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Raad heeft geen enkele reden om in de onderhavige zaak anders te oordelen. 4.8. Al het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd onder instandlating van de rechtsgevolgen. De aangevallen uitspraak kan, zij het met aanvulling van hetgeen onder 4.6 is overwogen, dan ook worden bevestigd. 5. Gelet op het onder 4.8 overwogene is voor vergoeding van schade als door appellant verzocht in het onderhavige geval geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst. 6. Nu het bestreden besluit eerst in de loop van de procedure in hoger beroep door het Uwv deugdelijk is gemotiveerd, ziet de Raad daarin aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009. (get.) T. Hoogenboom. (get.) Y. van der Zaan-van Arnhem. GdJ