
Jurisprudentie
BG9905
Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-01-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4918 WAO + 08/3376 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4918 WAO + 08/3376 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Gewrichtsklachten. Herziening WAO-uitkering. Nader besluit in hoger beroep: gewijzigde motivering. De Raad is van oordeel dat uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, geduide functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. Opleidingseis.
Uitspraak
06/4918 + 08/3376 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 juli 2006, 06/562 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008, alwaar appellante en haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Hofmans.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek ter zitting geschorst.
Het Uwv heeft bij brief van 5 juni 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar van dezelfde datum en het daaraan ten grondslag liggende rapport van de bezwaararbeidsdeskundige overgelegd.
Namens appellante is hierop bij schrijven van 11 juli 2008 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden ter zitting van 19 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. van Deuzen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in 1991 als gevolg van gewrichtsklachten arbeidsongeschikt geworden.
Met ingang van 16 maart 1992 is haar een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Met ingang van 1 januari 1998 is de AAW-uitkering omgezet in een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO).
1.2. Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 16 mei 2005 ingetrokken, omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht.
1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 16 mei 2005 vastgesteld op 25 tot 35%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest noch om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts omtrent de belastbaarheid van appellante op 16 mei 2005. De rechtbank heeft tevens overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd heeft dat appellante met haar opleiding en werkervaring de haar voorgehouden functies kan verrichten, waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
3. In hoger beroep is aangevoerd dat het Uwv de medische beperkingen van appellante deels onvolledig en deels onjuist heeft vastgesteld. Appellante ondervindt aanmerkelijk meer oogklachten dan door het Uwv wordt erkend, waardoor haar zicht beduidend minder is dan aangenomen. Tevens is aangevoerd dat appellante slechts beschikt over het ULO-diploma zonder wiskunde. Hiermee voldoet zij niet aan de functionele opleidingseisen, die in een aantal functies, met name die van autoverkoper, worden gesteld, zodat deze functies niet geduid hadden mogen worden.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Tijdens de behandeling ter zitting van 20 mei 2008 heeft het Uwv aangegeven dat gebleken was dat de appellante voorgehouden functies onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 3 juni 2008 binnen de gehanteerde sbc-codes aanvullende functies geduid, hetgeen heeft geleid tot het als besluit aangeduide schrijven van 5 juni 2008. In dit besluit heeft het Uwv appellantes WAO-uitkering wederom per 16 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%.
4.2. Ingevolge artikel 6:18, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan onder in die bepaling genoemde voorwaarden een nieuw besluit worden genomen, dat in gevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 6:24 van die wet door de Raad moet worden meegenomen bij zijn beoordeling van het bestreden besluit.
4.3. Nu met de brief van 5 juni 2008 de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet gewijzigd zijn, doch slechts beoogd is de motivering van het bestreden besluit aan te vullen, komt aan het schrijven van 5 juni 2008 het besluitkarakter niet toe en mist artikel 6:18, eerste en tweede lid van de Awb toepassing zodat ook geen toepassing kan worden gegeven aan de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb.
4.4. De Raad zal een oordeel geven over het bestreden besluit met inachtneming van de gewijzigde motivering, zoals deze op 5 juni 2008 is gegeven.
4.5. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad geen reden om ervan uit te gaan dat appellante meer beperkingen heeft dan waarvan het Uwv bij zijn oordeelsvorming is uitgegaan. Het standpunt van appellante dat de beperkingen van appellante onjuist dan wel onvolledig zijn vastgesteld is niet onderbouwd met nadere medische gegevens. De Raad merkt in dit verband nog op dat de bezwaarverzekeringsarts aanleiding heeft gezien de door de verzekeringsarts opgemaakte Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen en beperkingen op te nemen ten aanzien van nachtblindheid, persoonlijk functioneren, hurken en allergie.
4.6. De Raad is van oordeel dat uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, geduide functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. Met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige
F. van den Berg van 25 oktober 2005, is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van de functies reeds op alle relevante aspecten op een voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze gemotiveerd. De bezwaararbeidsdeskundige
P.G. Reijnen heeft in zijn rapportage van 3 juni 2008 deze motivering geactualiseerd en voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de voor appellante geduide functies voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
4.7. Ten aanzien van het door appellante gestelde omtrent de opleidingseis in de geduide functies volstaat de Raad met een verwijzing naar hetgeen hieromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen. De Raad onderschrijft die overwegingen.
De door appellante eerst ter zitting van 19 november 2008 betrokken stelling dat haar rijbewijs vanaf 2005 niet meer geldig is zal de Raad passeren, nu deze stelling in zo’n laat stadium van de procedure is aangevoerd, terwijl dit eerder had gekund, zij als tardief moet worden aangemerkt.
4.8. Nu eerst in hoger beroep het bestreden besluit van een toereikende motivering is voorzien, dient dit besluit, als te zijn genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, te worden vernietigd. De Raad zal, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het door appellante ingestelde hoger beroep kan dan ook niet slagen.
5. De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en van € 805,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Rechtdoende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2005 gegrond;
Vernietigt het besluit van 14 december 2005;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1449,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) A. de Gier.
TM