Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9901

Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-01-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4821 WAZ + 06/5205 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAZ-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Toename klachten als gevolg van tumor in de alvleesklier. Vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Met nader besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak niet tegemoet gekomen. Nader motivering hoger beroep.


Uitspraak

06/4821 WAZ + 06/5205 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2006, 06/72 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. van den Os, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 24 augustus 2006 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van gelijke datum ingezonden, onder bijvoeging van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 14 augustus 2006 met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), alsmede een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 22 augustus 2006 met bijlagen. Bij brief van 31 augustus 2006 heeft appellant hierop gereageerd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts van 19 oktober 2006 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 6 oktober 2006. Bij brief van 11 december 2006 heeft appellant een groot aantal medische stukken ingezonden. Het Uwv heeft hierop gereageerd met inzending van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 4 januari 2007. Het Uwv heeft desgevraagd nog stukken ingezonden en voorts enkele vragen van de Raad beantwoord door inzending van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 29 juli 2008 en een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 1 augustus 2008, met bijlagen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008. Appellant is, zoals bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. II. OVERWEGINGEN 1. Appellant was als zelfstandige werkzaam in de ICT-branche. Bij een op 8 november 2004 getekend formulier vroeg hij een uitkering aan op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), omdat hij sedert 2001 in toenemende mate klachten ondervond als gevolg van een tumor in zijn alvleesklier. Op dit formulier heeft hij als eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid 15 april 2004 vermeld. Op 15 februari 2005 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze is in haar rapportage van dezelfde datum vooralsnog uitgegaan van de door appellant aangegeven eerste dag van arbeidsongeschiktheid. De van de behandelend specialist van appellant verkregen informatie heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven tot wijziging van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 27 april 2005 appellant bericht dat hem geen uitkering op grond van de WAZ wordt toegekend, omdat hij op en na 12 april 2005 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. 2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, daarbij onder meer stellende dat zijn klachten geleidelijk zijn toegenomen, dat hij in de loop der jaren minder is gaan werken als gevolg van zijn klachten en dat de door hem genoemde eerste dag van arbeidsongeschiktheid een arbitraire keus was. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft nadere informatie ingewonnen bij de behandelend specialist van appellant en kennis genomen van door appellant overgelegde medische informatie. Dit heeft haar aanleiding gegeven in de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst aanvullende beperkingen op te nemen, doch dit heeft haar geen aanleiding gegeven tot wijziging van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 april 2005 door het Uwv ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 2 december 2005 (besluit 1). 3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen – kort weergegeven – dat het Uwv weliswaar de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van appellant juist heeft vastgesteld, maar dat enkele van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen van appellant ten onrechte niet zijn opgenomen in de FML. De rechtbank heeft voorts de arbeidskundige grondslag van besluit 1, voor zover het gaat om de met een ‘G’ gemarkeerde aspecten in de aan appellant geduide functies, onvoldoende geacht. 4. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Appellant voert daartoe in de kern dezelfde gronden aan als hij in bezwaar en in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank over de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hoger beroep van appellant kan mitsdien niet slagen. 5. Het Uwv, berustend in de aangevallen uitspraak, heeft met het besluit van 24 augustus 2006 (besluit 2) uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Met dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. De Raad stelt vast dat met besluit 2 niet tegemoet gekomen is aan het beroep van appellant tegen het besluit 1. Hieruit vloeit voort dat de Raad besluit 2, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond van artikel 6:24 van de Awb, in de procedure dient te betrekken. Dit betekent dat het beroep tegen besluit 1 geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit 2. 6. Appellant heeft tegen besluit 2 aangevoerd – kort weergegeven – dat zijn beperkingen als gevolg van flushes, vasthouden van vocht, vermoeidheid en darmklachten, zijn onderschat. Voorts meent appellant dat het Uwv op zijn minst een zogenoemde urenbeperking in aanmerking had moeten nemen. Ten slotte meent appellant dat de hem door het Uwv geduide functies om uiteenlopende redenen niet geschikt voor hem zijn. 7. De Raad stelt voorop dat het Uwv eerst met de rapportages van een bezwaarverzekeringsarts van 29 juli 2008 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 1 augustus 2008 besluit 2 van een nadere motivering heeft voorzien, omdat was gebleken dat in de FML enkele zogenoemde verborgen beperkingen waren opgenomen. Dit leidt ertoe dat besluit 2 voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal thans bezien of de rechtsgevolgen van besluit 2 in stand kunnen blijven. 8. Ten aanzien van de medische grondslag van besluit 2 kan de Raad zich verenigen met hetgeen de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv daarover in haar rapportages van 19 oktober 2006 en 4 januari 2007 nader heeft uiteengezet. Zij is daarbij expliciet en gemotiveerd ingegaan op de door appellant naar voren gebrachte bezwaren en de door hem in hoger beroep ingezonden medische informatie. De in eerste instantie door de bezwaarverzekeringsarts genoemde beperkingen, die abusievelijk niet in de FML waren opgenomen zijn alsnog op correcte wijze in de FML vastgelegd. De FML is vervolgens op correcte wijze aangepast in verband met de geconstateerde zogenoemde verborgen beperkingen. 9. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van besluit 2 kan de Raad zich verenigen met hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv daarover in de rapportages van 22 augustus 2006 en 6 oktober 2006 naar voren heeft gebracht. De bij de geduide functies voorkomende signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn alsnog door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv van een toereikende toelichting voorzien. Naar aanleiding van de aanpassing van de FML in verband met de zogenoemde verborgen beperkingen heeft de bezwaararbeidsdeskundige de signaleringen van de voor appellant geschikt geachte functies wederom van een nadere toelichting voorzien. Deze toelichting week evenwel niet noemenswaardig af van de reeds eerder door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichting. De Raad is van oordeel dat het Uwv met besluit 2 uiteindelijk op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. De rechtsgevolgen van besluit 2 kunnen in stand blijven. 10. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van besluit 2 geheel in stand blijven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 483,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009. (get.) T. Hoogenboom. (get.) A.L. de Gier. GdJ