
Jurisprudentie
BG9793
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803623/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803623/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 29 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorst (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de schutting op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel de schutting dusdanig aan te passen dat deze als bouwvergunningvrij is aan te merken.
Uitspraak
200803623/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 april 2008
in zaak nr. 07/1800 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorst.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorst (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de schutting op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel de schutting dusdanig aan te passen dat deze als bouwvergunningvrij is aan te merken.
Bij besluit van 28 september 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 april 2008, verzonden op 10 april 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 10 en 16 juni 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G. Looijen, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. [appellant] is niet ter zitting verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).
2.2. Niet in geschil is dat voor de oprichting van de schutting, die 1.80 meter hoog is en voor de voorgevelrooilijn is gelegen, een bouwvergunning is vereist en dat deze niet is verleend.
2.3. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.4. Anders dan [appellant] betoogt is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisatie van de schutting bestaat. De schutting is niet in overeenstemming met de planvoorschriften. Het college is niet bereid daarvan vrijstelling te verlenen, omdat de schutting een zeer negatieve en afgrenzende invloed op het straatbeeld en de (beeld)kwaliteit van de gehele omgeving heeft. Om die reden wordt de schutting uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk geacht. Daarnaast belemmert de schutting het uitzicht van het verkeer vanaf perceel Binnenweg 13, waardoor ter plaatse verkeersgevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Ook om die reden is het college niet bereid vrijstelling te verlenen.
Eveneens faalt het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel, nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet is gebleken dat het college in vergelijkbare gevallen niet tot handhavend optreden overgaat. Zo is het college ook, anders dan [appellant] stelt, middels een aanschrijving opgetreden tegen het op perceel Binnenwet 13 geplaatste (reclame)bord, dat intussen aan de afmetingen voor bouwvergunningvrij bouwen voldoet.
Ook uit hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd kan niet worden opgemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving afgezien had moeten worden.
2.5. De rechtbank is derhalve tot het juiste oordeel gekomen dat het college tot handhavend optreden heeft mogen besluiten.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Boot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
202.