
Jurisprudentie
BG9790
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802866/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802866/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluiten van 3 april 2007 en 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck (hierna: het college) geweigerd [appellanten] vrijstelling, onderscheidenlijk een bouwvergunning eerste fase, te verlenen voor het oprichten van een woonhuis met vrijstaand bijgebouw aan de [locatie] te [plaats].
Uitspraak
200802866/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 februari 2008 in zaak nr. 07/3327 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 3 april 2007 en 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck (hierna: het college) geweigerd [appellanten] vrijstelling, onderscheidenlijk een bouwvergunning eerste fase, te verlenen voor het oprichten van een woonhuis met vrijstaand bijgebouw aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het college het door [appellanten] tegen de besluiten van 3 april 2007 en 22 mei 2007 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover het betreft de weigering vrijstelling en bouwvergunning voor het woonhuis te verlenen, en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 februari 2008, verzonden op 10 maart 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het beroep van [appellanten] tegen de bij het besluit van 18 oktober 2007 gehandhaafde weigering vrijstelling en bouwvergunning voor het vrijstaand bijgebouw te verlenen, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 mei 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2009, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Thuijls, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Neerlanden 1ste fase herziening 1997-1" heeft het perceel waarop de bouwaanvraag betrekking heeft de bestemming "Woondoeleinden EO".
Ingevolge artikel 3, onder g, mag de goothoogte respectievelijk hoogte van bijgebouwen maximaal 3 meter respectievelijk 4,5 meter bedragen.
Ingevolge artikel 3, onder h, van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per hoofdgebouw maximaal 60 m2 per bouwperceel bedragen.
Ingevolge artikel 9, aanhef en eerste lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het plan, ten behoeve van het afwijken van de voorgeschreven maatvoering en/of bebouwingspercentages, eventueel met overschrijding van de bebouwingsgrenzen, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maatvoeringen en/of de toegelaten bebouwingspercentages.
Voor de beoordeling van een aanvraag om vrijstelling heeft het college de notitie "Voorschriften voor het gebruiken van vrijstellingsmogelijkheden" vastgesteld. In dit vrijstellingenbeleid is onder de punten 6 en 7 aangegeven dat ten aanzien van het toepassen van binnenplanse vrijstellingen terughoudendheid moet worden betracht. Slechts in uitzonderlijke gevallen, waar het klaarblijkelijk onredelijk is om geen vrijstelling te verlenen, kan vrijstelling worden verleend, bijvoorbeeld wanneer een bestemmingsplan niet meer overeenkomt met de moderne planologische inzichten. De aanvrager zal de noodzaak van het verlenen van vrijstelling moeten aantonen.
2.2. Anders dan [appellanten] betogen is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat de oppervlakte van het bijgebouw 63,4 m2 bedraagt en dat de goothoogte van het bijgebouw 3,2 m bedraagt. De rechtbank heeft zich bij het vaststellen van de maten van het bouwplan terecht gebaseerd op de bij de bouwaanvraag behorende tekening, blad 01. Het bouwplan is derhalve in strijd met bovengenoemde planvoorschriften.
2.3. [appellanten] betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling op grond van artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften heeft kunnen weigeren.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellanten] genoemde redenen het niet noodzakelijk maken vrijstelling te verlenen. Aan de voorwaarden van de notitie "Voorschriften voor het gebruiken van vrijstellingsmogelijkheden" wordt derhalve niet voldaan. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat niet valt in te zien waarom het bouwplan voor het bijgebouw niet zodanig zou kunnen worden aangepast dat de in de planvoorschriften aangegeven maatvoeringen in acht worden genomen.
Het betoog van [appellanten] dat de notitie "Voorschriften voor het gebruiken van vrijstellingsmogelijkheden" niet als een beleidsregel kan worden aangemerkt, waardoor de rechtbank die notitie ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen, faalt.
Ingevolge artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder beleidsregel verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. De notitie voldoet hieraan. De notitie heeft het college op 23 november 2004 vastgesteld, is op 15 december 2004 in het weekblad De Grenskoerier gepubliceerd en bevat voorschriften voor het gebruik van binnenplanse vrijstellingen en artikel 19, eerste en derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
De stelling van [appellanten] dat het vrijstellingsbeleid de in het bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsbevoegdheid volledig illusoir maakt heeft de rechtbank terecht verworpen en ook feitelijk onjuist geacht. Er zijn immers concrete situaties waarin vrijstelling wordt verleend, zoals bijvoorbeeld voor de nokhoogte van het woonhuis, dat van het onderhavige bouwplan deel uitmaakt. Ook hetgeen [appellanten] verder aanvoeren over het vrijstellingsbeleid biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank dit beleid ten onrechte niet onredelijk heeft geacht.
2.4. [appellanten] betogen verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft verzuimd in de beslissing op het bezwaar de reden voor het afwijken van het advies van de bezwaarcommissie aan te geven.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in de beslissing op bezwaar duidelijk heeft gemaakt op welke gronden is afgeweken van het advies van de bezwaarcommissie, zodat niet is gehandeld in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Boot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
202.