Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9784

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802460/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft de raad van de gemeente Goirle (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.


Uitspraak

200802460/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 februari 2008 in zaak nr. 06/5561 in het geding tussen: [appellanten] en de raad van de gemeente Goirle. 1. Procesverloop Bij besluit van 8 maart 2005 heeft de raad van de gemeente Goirle (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen. Bij besluit van 12 september 2006 heeft de gemeenteraad het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 september 2006 vernietigd en de gemeenteraad opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend. De gemeenteraad heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2008, waar [appellanten] zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. 2.3. [appellanten], eigenaars en bewoners van de onroerende zaak aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Goirle, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel), hebben de gemeenteraad verzocht om vergoeding van schade die zij stellen te lijden als gevolg van de bij besluit van 5 maart 2002 krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling van artikel 6, eerste en vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Tijvoort-Zuid". Met gebruikmaking van deze vrijstelling heeft het college van burgemeester en wethouders van Goirle (hierna: het college) bij besluit van 10 april 2003 bouwvergunning verleend voor de realisering van een milieustraat met depot voor de inzameling van klein chemisch afval, kringloopbedrijf en -winkel op het bedrijventerrein Tijvoort-Zuid aan de Nobelstraat 18 te Goirle (hierna: het bedrijventerrein). 2.4. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Tijvoort-Zuid", voor zover thans van belang, zijn gronden, aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden", bestemd voor handels- en bedrijfsdoeleinden, alsmede ambachtelijke bedrijven, met uitzondering van detailhandel […]; één en ander met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen, met dien verstande, dat bovengenoemde bedrijven op deze gronden uitsluitend toelaatbaar zijn, mits zij: […]; - niet vermeld staan in bijlage 1, de Staat van inrichtingen, maar naar het oordeel van het college naar hun aard gelijk te stellen zijn met de in bijlage 1 genoemde categorieën 1, 2 en 3; […]. Ingevolge het vierde lid, onder a, mogen bedrijven in de categorie 3 van bijlage 1, alsmede bedrijven die naar hun aard hieraan gelijk gesteld zijn, uitsluitend gevestigd worden op een afstand van tenminste 100 m gemeten uit de meest nabij gelegen woonbebouwing, niet zijnde bedrijfswoningen. Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder j, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het vierde lid onder a voor een afstand van tenminste 50 m. 2.5. Bij het besluit op bezwaar van 12 september 2006 heeft de gemeenteraad, in navolging van de adviezen van de schadebeoordelingscommissie Adromi B.V. van 12 november 2004, 24 november 2005 en 29 april 2006 en gedeeltelijk in navolging van het advies van de commissie voor bezwaarschriften (hierna: de bezwaarschriftencommissie) van 22 september 2005, de afwijzing van het verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade gehandhaafd. Hierbij heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat de milieustraat wat betreft hinder gelijk kan worden gesteld met een categorie 3-bedrijf, nu deze veel overeenkomsten vertoont met een gemeentewerf en een afvalinzameldepot, die beide onder die categorie vallen. Door de vestiging van de milieustraat is volgens de gemeenteraad niet meer hinder ontstaan dan onder het voorheen geldende planologische regime mogelijk zou zijn geweest. Wat betreft het aspect geluidhinder was een gevelbelasting van de woning van [appellanten] met een grenswaarde van 45 dB(A), in aanmerking genomen de ligging van die woning ten opzichte van het bedrijventerrein, ook onder het voorheen geldende planologische regime mogelijk en past deze in de gebruikelijke normering op het gebied van geluidhinder, aldus de gemeenteraad. De overige door [appellanten] genoemde hinderaspecten zijn volgens de gemeenteraad eveneens in de verleende milieuvergunning gereguleerd. De gemeenteraad stelt verder dat bij de planvergelijking geen betekenis toekomt aan de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde (hierna: de WOZ-waarde) van een onroerende zaak. In afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat [appellanten] per saldo niet in een planologisch nadeliger situatie zijn geraakt, omdat de eventuele nadelige gevolgen van de milieustraat, doordat deze onder het nieuwe planologische regime op een geringere afstand van de woning van [appellanten] kan worden opgericht, teniet worden gedaan door de afschermende werking van de scheidingsmuur en door de regulering van de bedrijvigheid door middel van een milieuvergunning. Er bestaat volgens de gemeenteraad dan ook geen grond voor vergoeding van planschade. 2.6. Bij de aangevallen uitspraak van 29 februari 2008 heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 12 september 2006 vernietigd, omdat uit dat besluit niet duidelijk wordt of de scheidingsmuur voldoende afschermende werking heeft, waarbij ervan dient te worden uitgegaan dat de met de milieustraat samenhangende geluidproducerende activiteiten tot op de perceelsgrens kunnen plaatsvinden. Voorts heeft de gemeenteraad volgens de rechtbank ten onrechte geen aandacht geschonken aan de afschermende werking van de muur voor de overige door [appellanten] genoemde vormen van hinder. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat voorshands niet aannemelijk is dat de muur deze vormen van hinder voor [appellanten] geheel wegneemt. 2.7. [appellanten] zijn het niet eens met de overwegingen van de rechtbank en beogen een verdergaande vernietiging. In dat verband betogen zij dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de gemeenteraad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de milieustraat, gelet op de mate van hinder die hierdoor wordt veroorzaakt, gelijk te stellen is met een categorie 3-bedrijf. Hiertoe voeren zij aan dat, anders dan in het door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde op haar verzoek uitgebrachte advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) van 20 september 2007 wordt gesteld, het opslaan van afvalstromen (het binnenbrengen, sorteren en daarna weer wegvoeren) dient te worden aangemerkt als het werken met afvalstromen, hetgeen in categorie 4 valt. Voorts betogen zij dat de rechtbank ten onrechte nader onderzoek met betrekking tot de al dan niet voldoende afschermende werking van de scheidingsmuur noodzakelijk heeft geacht. Hiertoe voeren zij aan dat niet relevant is in hoeverre door de scheidingsmuur de milieuhinder wordt gecompenseerd, aangezien de minimale toegestane afstand tot de meest nabijgelegen woonbebouwing wezenlijk wordt overschreden, omdat de afstand nu 26 m is in plaats van ten minste 50 m zoals dat mogelijk zou zijn na binnenplanse vrijstelling, en daaruit reeds planschade voortvloeit. Volgens [appellanten] is evident dat de scheidingswand de hinder niet kan verminderen. Ten slotte betogen zij dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de WOZ-waarde van hun onroerende zaak is verlaagd vanwege de aanleg van de milieustraat en dat indicatief is voor de omvang van de door hen gestelde waardevermindering. 2.7.1. De rechtbank heeft haar oordeel dat de gemeenteraad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de milieustraat, gelet op de mate van hinder die hierdoor wordt veroorzaakt, gelijk te stellen is met een categorie 3-bedrijf, gebaseerd op het advies van de StAB. Volgens dat advies kan een milieustraat gelijk worden gesteld met een categorie 3-bedrijf, nu deze, evenals een gemeentewerf (afvalinzameldepot) die tot categorie 3 behoort, is gericht op het inzamelen en opslaan van verschillende soorten afval en niet op het werken met en/of verwerken van afval. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), waarin de zogenoemde Standaard Bedrijfsindeling (hierna: de SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek is gehanteerd. In de SBI wordt in de categorie "Milieudienstverlening" onderscheid gemaakt tussen "afvalinzameling" en "afvalbehandeling". Blijkens de VNG-brochure vallen gemeentewerven (afvalinzameldepots) onder "afvalinzameling". In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat een milieustraat, anders dan een gemeentewerf (afvalinzameldepot), niet is gericht op afvalinzameling en dat het advies van de StAB in zoverre gebrekkig is. Dat het afval, naar [appellanten] ter zitting van de Afdeling naar voren hebben gebracht, in de milieustraat wordt gesorteerd en zo nodig met behulp van een vorkheftruck in elkaar wordt geduwd, betekent niet dat deze is gericht op afvalbehandeling. In dit verband is van belang dat de verschillende soorten afval vanaf de milieustraat weer worden weggevoerd naar een vuilstortplaats, die blijkens de VNG-brochure onder "afvalbehandeling" valt, dan wel naar een andere locatie teneinde te worden bewerkt. De rechtbank heeft derhalve, in navolging van het advies van de StAB, terecht geoordeeld dat de gemeenteraad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een milieustraat gelijk kan worden gesteld aan een categorie 3-bedrijf. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank terecht ervan is uitgegaan dat ook onder het voorheen geldende planologische regime op het bedrijventerrein een milieustraat op een afstand van ten minste 100 m (met vrijstelling 50 m) tot de meest nabijgelegen woonbebouwing kon worden opgericht. 2.7.2. Ten gevolge van het vrijstellingsbesluit van 5 maart 2002 is de milieustraat evenwel aangelegd op een afstand van 26 m tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing. Voor zover [appellanten] betogen dat reeds daarom aanspraak bestaat op planschadevergoeding, wordt met de rechtbank overwogen dat in het concrete geval de schade anderszins verzekerd kan zijn omdat schadebeperkende maatregelen zijn genomen. De gemeenteraad heeft zich bij het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat in dit geval de eventuele hinder van de milieustraat wordt gematigd door de scheidingsmuur. Nu de rechtbank dat besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd achtte, van welk oordeel thans moet worden uitgegaan aangezien partijen daartegen niet zijn opgekomen, heeft zij terecht nader onderzoek met betrekking tot de al dan niet voldoende afschermende werking van de scheidingsmuur noodzakelijk geacht. 2.7.3. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de WOZ-waarde van hun onroerende zaak is verlaagd vanwege de aanleg van de milieustraat kan geen doel treffen. Voor de bepaling van de WOZ-waarde is immers vooral de feitelijke situatie van belang en wordt met de maximale mogelijkheden ingevolge het voorheen geldende planologische regime geen rekening gehouden. 2.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 18-505.