Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9780

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801828/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 12 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl (hierna: het college) aan Acantus Vastgoed (hierna: Acantus) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een zorgcentrum en 46 woningen met bergingen op het perceel Jachtlaan 44 te Delfzijl.


Uitspraak

200801828/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante] en haar beide vennoten, [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd dan wel wonend te [plaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 januari 2008 in zaak nr. 07/439 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl (hierna: het college) aan Acantus Vastgoed (hierna: Acantus) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een zorgcentrum en 46 woningen met bergingen op het perceel Jachtlaan 44 te Delfzijl. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 15 januari 2008, verzonden op 30 januari 2008, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2008, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellanten] hebben nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2008, waar voor [appellanten], [vennoot A] in persoon, bijgestaan door mr. drs. R. Arends, advocaat te Surhuisterveen, en het college, vertegenwoordigd door N. Wouters en R. Munneke, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college hen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar tegen het besluit van 12 september 2006, omdat zij vanwege de hoedanigheid van beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg op grond van de door hen afgelegde eed zich zoveel mogelijk behoren in te zetten voor de gezondheid en het welzijn van de aan hun zorg toevertrouwde personen, hetgeen door onderhavig besluit wordt belemmerd, nu het college, naar zij stellen, de belangen van de gezondheidszorg veronachtzaamt. 2.2.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat [appellanten] niet op grond van nabijheid of zicht als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, waarbij zij in aanmerking heeft genomen dat deze apotheek op ongeveer anderhalve kilometer van de locatie van het nieuw te bouwen zorgcentrum is gelegen. Voorts zal er in het nieuwe zorgcentrum geen apotheek gevestigd worden, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het belang van [appellanten] niet gelegen is in het aspect van concurrentie. De uit hun professie voortvloeiende betrokkenheid met de gezondheidszorg in de gemeente Delfzijl en hetgeen [appellanten] overigens aanvoeren, staat in een zodanig ver verwijderd verband met het bestreden besluit dat dit geen rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, oplevert. De rechtbank heeft met recht geoordeeld dat het college [appellanten] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar tegen het besluit van 12 september 2006. Nu slechts de ontvankelijkheid van [appellanten] in dit geding aan de orde is, kan aan hetgeen overigens is aangevoerd niet worden toegekomen. 2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat. w.g. Offers w.g. Wijers lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 444