
Jurisprudentie
BG9776
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803009/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803009/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 14 november 2006, verzonden 16 november 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) - voor zover hier van belang - met ingang van 1 maart 2007 geweigerd aan de stichting Stichting Humana (hierna: Humana) een vergunning te verlenen voor het inzamelen van textiel.
Uitspraak
200803009/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de stichting Stichting Humana, gevestigd te Bunnik,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2006, verzonden 16 november 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) - voor zover hier van belang - met ingang van 1 maart 2007 geweigerd aan de stichting Stichting Humana (hierna: Humana) een vergunning te verlenen voor het inzamelen van textiel.
Bij besluit van 14 november 2007 heeft het college het door Humana hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft Humana bij brief van 20 december 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem, aldaar ingekomen op 24 december 2007. De rechtbank Haarlem heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2008, waar Humana, vertegenwoordigd door mr.dr. F.C. Schirmeister, advocaat te Amsterdam, en R.F. Wink, en het college, vertegenwoordigd door Th. van Donge, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 10.1 van de Wet milieubeheer is het verboden om bedrijfsmatig afval in te zamelen. Dit verbod geldt niet indien het degene die inzamelt uitdrukkelijk is toegestaan in te zamelen, bij of krachtens wet.
2.2. Humana betoogt dat zij reeds sinds 1988 gebruikt textiel inzamelt in de gemeente Haarlemmermeer. Zij stelt dat het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen niet beter wordt gediend door (uitsluitend) inzameling door De Meerlanden. Het college heeft, aldus Humana, gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen heeft geweigerd Humana de gevraagde vergunning ook voor de periode na 1 maart 2007 te verlenen. Het college verwijst hierbij naar het op 21 december 2004 vastgestelde Afvalbeleidsplan gemeente Haarlemmermeer 2004-2008 (hierna: het Afvalbeleidsplan) en de uitwerking van het Afvalbeleidsplan, vastgesteld op 13 september 2005, beide gepubliceerd op 8 maart 2007. Hierin is vastgelegd dat het kringloopbedrijf Het Goed minimaal vier maal per jaar huis aan huis textiel inzamelt, dat de opbrengsten van het textiel door het kringloopbedrijf worden aangewend om onrendabele afvalstromen te hergebruiken en om arbeidsplaatsen te creëren, dat het van belang is dat de inzameling van textiel door middel van containers door het kringloopbedrijf verzorgd wordt, zodat te volle containers direct kunnen worden geleegd, terwijl bij landelijk opererende inzamelaars daar een paar dagen overheen gaan en dat voor de inzameling van textiel geen vergunning meer zal worden verleend aan landelijke charitatieve inzamelaars, waaronder Humana. Blijkens het deelplan textiel van het Afvalbeleidsplan ligt het in de verwachting dat de deelname en respons van textiel stijgt tot 50% door het plaatsen van containers voor de inzameling van textiel op 26 locaties en een betere organisatie van de huis-aan-huis inzameling. Dit levert per inwoner nog 3 kg textiel op dat uit het restafval apart ingezameld en hergebruikt kan worden, hetgeen neerkomt op 375 ton in totaal, aldus het college.
2.4. Bij de beoordeling van dit geschil moet als vaststaand worden uitgegaan van de volgende gegevens. Humana plaatst in 1988 bij wijze van proef op een tweetal locaties in het centrum van de gemeente Hoofddorp containers voor het inzamelen van textiel, zes containers bij het raadhuis en twee containers bij het winkelcentrum Skagerrak. Bij besluit van 6 februari 1998 weigert het college Humana een gevraagde vergunning voor de nog steeds bij wijze van proef geplaatste containers, omdat de gemeente Haarlemmermeer de inzameling van textiel wil onderbrengen bij een nog op te richten kringloopbedrijf, en gedoogt het college de aanwezigheid van de in gebruik zijnde containers tot en met 31 december 1998. Bij besluit van 29 november 2001 verleent het college aan Humana een vergunning voor een periode van vijf jaar voor het inzamelen van textiel in de reeds geplaatste containers. Bij besluit van 28 februari 2005 weigert het college vergunning te verlenen voor het uitbreiden van het aantal containers voor de inzameling van textiel, omdat in 1997 met De Meerlanden N.V. een meerjarenovereenkomst is gesloten, waarin onder meer is voorzien in de inzameling van textiel onder andere door het plaatsen van containers op 26 locaties in de gemeente, en De Meerlanden Afvalinzameling en Reiniging B.V. (hierna: De Meerlanden) in artikel 2 van de Afvalstoffenverordening is aangewezen als inzameldienst. Op 4 oktober 2006 vraagt Humana het college de duur van de op 29 november 2001 verleende vergunning voor de geplaatste containers te verlengen. Bij het besluit van 14 november 2006 beperkt het college het verlenen van de gevraagde vergunning tot 1 maart 2007. Bij het bestreden besluit handhaaft het college dit besluit.
2.5. De Afdeling stelt voorop dat voor zover Humana stelt dat, gelet op de lange relatie die zij met de gemeente Haarlemmermeer heeft, het college haar rol in de inzameling van textiel in de regio niet kon beëindigen, zij dit standpunt niet deelt. Tijdens een gesprek op 23 juli 2003 is Humana door het college ervan op de hoogte gesteld dat de gemeente voornemens is de inzameling van textiel onder te brengen bij een nog op te richten kringloopbedrijf. Deze reden lag ook ten grondslag aan de eerdere weigering van de vergunning op 6 februari 1998 en het gedogen van de aanwezigheid van de in gebruik zijnde containers tot en met 31 december 1998. Naar het oordeel van de Afdeling moet Humana zich vanaf het tijdstip van dit gesprek hebben gerealiseerd dat haar vergunning van 29 november 2001, die voor vijf jaar gold, mogelijk na 29 november 2006 niet meer zou worden verlengd. Het standpunt van het college in het bestreden besluit dat de lange relatie op het gebied van de kledinginzameling met Humana er niet toe leidt dat het college binnen de gemeente Haarlemmermeer nooit met een andere instelling in zee zou kunnen gaan, is derhalve niet onjuist.
2.6. Ingevolge artikel 2 van de Afvalstoffenverordening gemeente Haarlemmermeer 2006 (hierna: de Afvalstoffenverordening) is De Meerlanden aangewezen als inzameldienst, belast met het uitvoeren van deze verordening.
Ingevolge artikel 31 van de Afvalstoffenverordening is het verboden aan een ander dan de inzameldienst zonder vergunning van burgemeester en wethouders van derden afkomstige huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.
2.7. Gelet op artikel 2 van de Afvalstoffenverordening in samenhang bezien met de mantelovereenkomst Afval- en Reinigingstaken 2005 tussen de gemeente Haarlemmermeer met De Meerlanden van 9 februari 2005 en het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat artikel 31 van de Afvalstoffenverordening ziet op die gevallen waarin De Meerlanden zelf niet de gehele afvalstoffeninzameling op zich wil of kan nemen en daartoe een onderaannemer aantrekt. Daarvoor is ten behoeve van die onderaannemer dan wel een vergunning als bedoeld in artikel 31 van de Afvalstoffenverordening van het college vereist.
2.8. Gelet op de verwijzing op pagina 45 van het Afvalbeleidsplan naar een overeenkomst tussen Humana en het nog op te richten kringloopbedrijf dat beide over en weer de bestaande inzamelsystemen zullen respecteren en de brief van 23 juni 2005 van De Meerlanden Holding N.V. aan het college, waaruit blijkt dat Humana als de meest geschikte kandidaat voor de textielinzameling in de gemeente Haarlemmermeer naar voren komt, lag het in de lijn der verwachting dat Humana gedurende de looptijd van het Afvalbeleidsplan textiel kon blijven inzamelen door middel van de op de twee locaties aanwezige containers en dat het college haar hiervoor een vergunning zou geven.
2.9. Het stond onder die omstandigheden - zonder inzicht te geven in de wijziging van zijn standpunt, zoals dit blijkt uit de brief aan Humana van 8 mei 2006 - het college niet vrij de vergunning van Humana slechts te verlenen tot het moment dat De Meerlanden kennelijk in staat was om de nieuwe containers voor de inzameling van textiel te plaatsen, te weten tot 1 maart 2007. De door het college gegeven uitleg dat eventuele samenwerking met Humana een zaak is van De Meerlanden en dat het college hierin geen taak heeft kan niet overtuigen, te minder nu ter zitting is komen vast te staan dat de gemeente Haarlemmermeer tezamen met enige naastgelegen gemeenten aandeelhoudster is van De Meerlanden en als zodanig enige zeggenschap over De Meerlanden heeft. Bovendien zal De Meerlanden niet geneigd zijn tot samenwerking met Humana wanneer aan deze organisatie geen vergunning wordt verleend door het college. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, staat artikel 31 van de Afvalstoffenverordening een dergelijke samenwerking zonder een daarvoor vereiste vergunning in de weg.
2.10. De bestreden beslissing op bezwaar is op dit punt in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.
2.11. Voor zover Humana nog heeft willen betogen dat haar beroep zich mede richt tegen het (samenhangende) besluit van het college aan De Meerlanden opdracht te geven tot het inzamelen van textiel en dat dit aspect in het bestreden besluit onderbelicht is gebleven, kan dit betoog niet slagen, omdat op grond van artikel 2 van de Afvalstoffenverordening De Meerlanden is aangewezen als inzameldienst. Een inzamelvergunning voor De Meerlanden voor het inzamelen van textiel als door Humana veronderstelt, is op grond van de Afvalstoffenverordening voor haar niet nodig en bestaat ook niet.
2.12. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
2.13. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 14 november 2007, kenmerk I-07.361jz;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij de Stichting Humana in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haarlemmermeer aan de Stichting Humana onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de gemeente Haarlemmermeer aan de Stichting Humana het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Plambeck
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
159-209.