
Jurisprudentie
BG9772
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800728/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800728/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 30 november 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan de staatssecretaris van Defensie (hierna: de staatssecretaris) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een onderhoudsbedrijf van de Koninklijke Landmacht aan de Kolonel van Roijenweg 3 te Leusden. Dit besluit is op 17 december 2007 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200800728/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Leusden,
appellant,
en
de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan de staatssecretaris van Defensie (hierna: de staatssecretaris) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een onderhoudsbedrijf van de Koninklijke Landmacht aan de Kolonel van Roijenweg 3 te Leusden. Dit besluit is op 17 december 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2008, beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft geoordeeld dat de door de minister verzochte beperking van de kennisneming van een aantal eerdere besluiten op grond van de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder betreffende de inrichting te Leusden en een aantal andere daarbij behorende stukken, niet gerechtvaardigd is.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2008, waar het college, vertegenwoordigd door N. van Vliet, werkzaam bij Gewest Eemland, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup en ir. H.R. Rozema, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H. Zilverberg, werkzaam bij het ministerie, bijgestaan door ing. C.J.M. Vos, als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
Beslistermijn
2.1. Het college voert aan dat het bestreden besluit ten onrechte niet binnen de daartoe in artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn is genomen.
Een overschrijding van de wettelijke beslistermijn tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Deze beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Algemeen toetsingskader
2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt de minister een zekere beoordelingsvrijheid toe.
Besluit externe veiligheid inrichtingen
2.3. Het college stelt dat de minister heeft miskend dat op het bestreden besluit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) van toepassing is. Hiertoe voert het college aan dat de inrichting valt onder de categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bevi omdat gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10.000 kg per opslagplaats. Volgens het college moet wat gebouw 42 betreft worden gesproken van 1 opslagplaats.
2.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bevi, voor zover hier van belang, is het Bevi onder meer van toepassing op de besluiten als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot een inrichting waar gevaarlijke stoffen in emballage worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10.000 kg per opslagplaats, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en o, van het Bevi, voor zover hier van belang, wordt onder opslagplaats verstaan speciaal daartoe ingerichte en bestemde voorziening voor de opslag van gevaarlijke stoffen.
2.3.2. In de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag is vermeld dat in gebouw 42 maximaal 20 ton aan gevaarlijke stoffen wordt opgeslagen en dat dit gebouw is gecompartimenteerd in afzonderlijke opslagplaatsen waarin maximaal 10 ton aan gevaarlijke stoffen wordt opgeslagen. Het ter zitting verhandelde in aanmerking genomen, valt niet in te zien waarom het wat de verschillende compartimenten van gebouw 42 betreft niet zou gaan om opslagplaatsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en o, van het Bevi. De conclusie is dan ook dat in de inrichting niet meer dan 10.000 kg aan gevaarlijke stoffen per opslagplaats wordt opgeslagen en dat de inrichting aldus niet behoort tot de categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bevi. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de inrichting niet valt onder de andere in artikel 2, eerste lid, van het Bevi genoemde categorieën van inrichtingen.
Gelet op het vorenstaande, heeft de minister terecht geoordeeld dat het Bevi niet op het bestreden besluit van toepassing is.
Deze beroepsgrond faalt.
Bodemverontreiniging
2.4. Het college voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft voorgeschreven dat een nulsituatiebodemonderzoek wordt verricht.
2.4.1. De Afdeling stelt voorop dat het doel van het vaststellen van de nulsituatie van de bodem is dat de resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebruikt als referentiekader bij nadien veroorzaakte bodemverontreiniging teneinde de aansprakelijkheid eenvoudig te kunnen vaststellen. Tevens dient het bodemonderzoek om de effectiviteit van de aangebrachte bodembeschermende voorzieningen te controleren op hun werking. Indien in het verleden in de inrichting bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan kan een nulonderzoek noodzakelijk worden geacht om eventueel bestaande verontreiniging in kaart te brengen.
Blijkens het verhandelde ter zitting is het onderhoudsbedrijf te Leusden vanaf 1957 als zodanig bij de Koninklijke Landmacht in gebruik. Blijkens de aanvraag die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit zijn vanaf 1998 diverse bodemonderzoeken verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in rapporten, en die hebben geresulteerd in een aantal saneringsplannen. Tot de aanvraag behoren verder rapporten van een bodemrisicoinventarisatie in 2005. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minster zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de reeds uitgevoerde onderzoeken en opgestelde plannen in afdoende mate een nulsituatie inzake de bodem van de onderhavige locatie is vastgesteld en dat het voorschrijven van een nulsituatiebodemonderzoek niet nodig is.
Deze beroepsgrond faalt.
Beste beschikbare technieken
2.5. Het college voert aan - zo verstaat de Afdeling het beroep - dat de minister bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken ten onrechte geen rekening heeft gehouden met BREF-documenten. Volgens het college is mede daarom onduidelijk of de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
2.5.1. Uit artikel 1 van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de Regeling), in samenhang bezien met de bijlage bij deze regeling, volgt dat het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken alleen verplicht is rekening te houden met de relevante BREF-documenten voor zover het gpbv-installaties betreft.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, wordt onder gpbv-installatie verstaan installatie als bedoeld in bijlage 1 van richtlijn 96/61/EG (hierna: de IPPC-richtlijn).
2.5.2. De minister heeft gesteld dat zich in de inrichting geen installaties bevinden als bedoeld in bijlage 1 van de IPPC-richtlijn. Het college heeft dit als zodanig niet bestreden. Gelet op artikel 1 van de Regeling, in samenhang bezien met de bijlage bij deze regeling, valt dan ook niet in te zien waarom de minister er niet van heeft kunnen afzien om BREF-documenten bij zijn beoordeling te betrekken. Nu het college deze beroepsgrond voorts geenszins nader heeft geconcretiseerd of gemotiveerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op dit punt onrechtmatig zou zijn.
Deze beroepsgrond faalt.
Geluidhinder
2.6. Het college voert aan - samengevat weergegeven - dat moet worden getwijfeld aan de aanvaardbaarheid van de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden. Verder voert het college aan - zo verstaat de Afdeling het beroep - dat moet worden gevreesd voor geluidhinder vanwege schietoefeningen.
2.6.1. Schietoefeningen zijn niet aangevraagd en vergund, zodat het beroep in zoverre feitelijke grondslag mist.
2.6.2. Aan de vergunning zijn grenswaarden verbonden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van geluidgevoelige objecten van 45, 40 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Wat deze grenswaarden betreft heeft de minister aansluiting gezocht bij het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Het college heeft de door de minister wat de hoogte van het referentieniveau van het omgevingsgeluid betreft gehanteerde uitgangspunten niet betwist. Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woning aan de Kolonel van Roijenweg 12a geldt, in afwijking van het voorgaande, een grenswaarde van 57 dB(A) in de dagperiode. Ook deze grenswaarde kan volgens de minister in ieder geval worden gerechtvaardigd door het ter plaatse van deze woning optredende referentieniveau van het omgevingsgeluid dat, zo heeft de minister ter zitting onbestreden verklaard, wordt bepaald door het wegverkeerslawaai vanwege de Rijksweg A28. Voor het maximale geluidniveau ter plaatse van geluidgevoelige objecten zijn aan de vergunning grenswaarden verbonden van 60, 55 en 55 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning Kolonel van Roijenweg 12a geldt evenwel een grenswaarde van 73,6 dB(A) in de dagperiode. Blijkens het bij de aanvraag behorende rapport van een akoestisch onderzoek van 20 december 2005 met kenmerk IS-RPT-050049, opgesteld door TNO, is de ter plaatse van deze woning vergunde geluidruimte nodig in verband met het geluid dat wordt veroorzaakt door het rijden van een Leopard tank op het terrein van de inrichting. Dit is door het college niet betwist. Verder acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat ten aanzien van deze geluidbron geluidreducerende maatregelen niet mogelijk zijn.
Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder vanwege de inrichting te voorkomen, dan wel voldoende te beperken.
Deze beroepsgrond faalt.
Slotoverwegingen
2.7. Het beroep is ongegrond.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Timmerman
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
431.