Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9768

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802806/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan [appellant A] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van een bijgebouw op het perceel [locatie] te Apeldoorn (hierna: het perceel).


Uitspraak

200802806/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellante B], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 maart 2008 in zaken nrs. 07/1218 en 07/1793 in het geding tussen: [appellant A] en [appellante B] en het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn. 1. Procesverloop Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan [appellant A] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van een bijgebouw op het perceel [locatie] te Apeldoorn (hierna: het perceel). Bij besluit van 15 juni 2007 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2006 herroepen en de aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) afgewezen. Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het college [appellant A] en [appellante B] onder het opleggen van een dwangsom gelast de in het bijgebouw op het perceel aanwezige woontechnische voorzieningen, te weten de aangebrachte tussenwanden, de constructie ter ophanging van het hangtoilet (inclusief stortbak en het onklaar maken van de afvoer van het toilet) en de douchebak, te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het college het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de tussenwanden en het toilet en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2008, verzonden op 11 maart 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) de door [appellant A] en [appellante B] tegen de besluiten van 15 juni 2007 en 3 oktober 2007 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 21 april 2008 en 28 mei 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2008, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. drs. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door J. Groeneveld, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen Weigering vrijstelling en bouwvergunning 2.1. Het bouwplan voorziet in het gedeeltelijk veranderen van een bijgebouw op het perceel. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen Berg en Bos" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Tuin of erf". Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen gronden blijkens de plantekening bestemd voor "Tuin of erf", uitsluitend worden gebezigd voor de oprichting van bijgebouwen alsmede voor de oprichting van gebouwen, die bij het gebruik van de grond als tuin of erf passen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder bijgebouw verstaan een vrijstaand gebouw dat een eenheid vormt met en dienstbaar (ondergeschikt) is aan het hoofdgebouw, zoals een garage, een bergruimte en dergelijke. 2.2. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar van 15 juni 2007 op het standpunt gesteld dat sprake is van eenzelfde aanvraag als waarvoor bij besluit van 22 februari 2006 reeds vrijstelling en bouwvergunning zijn geweigerd, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het college heeft de aanvraag gelet daarop met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. 2.3. [appellant A] en [appellante B] kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb en op grond daarvan hun aanvraag om bouwvergunning terecht heeft afgewezen. Daartoe betogen zij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de strekking van de aanvraag die bij het college is binnengekomen op 12 januari 2006 en die is geweigerd bij besluit van 22 februari 2006, gelijk is aan de strekking van de aanvraag die bij het college is binnengekomen op 29 juni 2006 en die is afgewezen bij besluit van 17 oktober 2006. Voorts betogen zij dat de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2007 in zaak nr. 200609244/1 als nieuw feit moet worden aangemerkt, nu in die uitspraak is geoordeeld dat een toilet en tussenwanden in een bijgebouw geen ongebruikelijke voorzieningen zijn. 2.4. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. 2.5. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of aan het eerdere besluit kan afdoen. 2.6. Voor het antwoord op de vraag of de in dit geding voorliggende aanvraag om bouwvergunning moet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag, waarbij voor de rechter het hiervoor weergegeven beperkte toetsingskader geldt, is van belang of het bouwplan waarop de eerdere aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft in essentie gelijk is aan het bouwplan waarop de in dit geding voorliggende aanvraag ziet. Bij die vergelijking komt mede betekenis toe aan de gronden waarop de bouwvergunning voor het eerdere bouwplan is geweigerd. 2.7. De aanvraag van 12 januari 2006 voorzag in het gedeeltelijk plaatsen van niet constructieve binnenwanden in de garage/berging op het perceel. Volgens de bij die aanvraag behorende bouwtekening ging het daarbij om het plaatsen van binnenwanden, een aparte ruimte met fitnessruimte, douche en wastafel en een tussenruimte met aanrechtblad en wasmachine en droger in de kelder, een aparte halruimte op de begane grond, en een werkkast met uitstortgootsteen op de eerste verdieping en een overloop met twee zolderkamers op de eerste verdieping. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het college afwijzend beslist op die aanvraag, omdat het desbetreffende bouwplan in strijd was met de bestemming "Tuin of erf" zoals neergelegd in het bestemmingsplan. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de te verbouwen garage/berging, gezien de indeling en de woonvoorzieningen, niet aangemerkt kon worden als een bijgebouw en evenmin als een aan- of uitbouw van de woning, en daarom als een gebouw moest worden aangemerkt dat als zelfstandig woongebouw kan functioneren. Daarbij heeft het college geweigerd vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. De thans voorliggende aanvraag van 29 juni 2006 voorziet in het gedeeltelijk veranderen van de bestaande garage/berging met dezelfde voorzieningen als begrepen in de aanvraag van 12 januari 2006. De enige wijziging bestaat uit het anders benoemen van de verschillende ruimten. Dit verschil is voor de toepassing van de betrokken planvoorschriften niet relevant. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de strekking van de aanvraag van 29 juni 2006 in essentie gelijk is aan die van 12 januari 2006 waarop het college op 22 februari 2006 afwijzend heeft beslist, zodat sprake is van een herhaalde aanvraag. De uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2007 is voor dit onderdeel van het hoger beroep niet van belang, reeds omdat deze dateert van na het besluit van 15 juni 2007. Nu niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor een rechterlijke beoordeling van de aanvraag van 29 juni 2006 geen plaats is. Het betoog faalt. Handhavingsbesluit 2.8. Het college heeft als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2007 bij besluit van 3 oktober 2007 opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van [appellant A] en [appellante B] en het bezwaar ongegrond verklaard wat de douchebak betreft. 2.9. Anders dan [appellant A] en [appellante B] betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college hen niet opnieuw behoefde te horen, nu geen sprake was van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Daarom behoefde het college evenmin een nieuw advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften in te winnen. 2.10. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in het besluit op bezwaar ten onrechte de last onder dwangsom wat betreft de douchebak heeft gehandhaafd, omdat ten tijde van dat besluit aan de last was voldaan. 2.10.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juni 2004 in zaak nr. 200306954/1) maakt het enkele feit dat na het nemen van een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom aan deze last wordt voldaan, niet dat dit besluit in redelijkheid niet kan worden gehandhaafd bij het besluit op bezwaar. Anders dan [appellant A] en [appellante B] aanvoeren is geen sprake van een preventieve last onder dwangsom. 2.11. [appellant A] en [appellante B] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden ter zake van de douchebak had behoren af te zien. 2.11.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2007, in zaak nr. 200609244/1 volgt dat van de in het bijgebouw aangebrachte voorzieningen uitsluitend de verwijdering van het toilet en de tussenwanden onevenredig bezwarend is te achten en dat zulks niet geldt ten aanzien van de douchebak. Hetgeen [appellant A] en [appellante B] aanvoeren vormt geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. 2.12. [appellant A] en [appellante B] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot het geschonden belang. 2.12.1. Voor het oordeel dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom heeft de rechtbank terecht geen grond gezien. Het betoog faalt. 2.13. De Afdeling ziet in hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd, dat grotendeels een herhaling vormt van hetgeen bij de rechtbank is aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte of op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat het besluit van 3 oktober 2007 in stand kan blijven. 2.14. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Arichi, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Arichi voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 430.