
Jurisprudentie
BG9766
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802724/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802724/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een voertuigenstalling op het perceel [locatie] te Valkenburg aan de Geul (hierna: het perceel).
Uitspraak
200802724/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 maart 2008 in zaak nr. 07/924 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een voertuigenstalling op het perceel [locatie] te Valkenburg aan de Geul (hierna: het perceel).
Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 mei 2007 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het door [appellante] gemaakte bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2008, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. drs. M.W.M. Pennings, advocaat te Beek, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A.M.C. Goossens, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op 7 februari 2006 heeft het college aan [appellante] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een voertuigenstalling op het perceel. Op het perceel is in afwijking van deze bouwvergunning een grotere voertuigenstalling opgericht. [appellante] heeft vervolgens een aanvraag ingediend tot het verlenen van bouwvergunning voor het vergroten van die voertuigenstalling. De weigering van die bouwvergunning is thans aan de orde.
2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan bouwvergunning van rechtswege is verleend.
2.2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.
Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).
Ingevolge het vierde lid is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid.
2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200705823/1) kan de - in dit geval door [appellante] opgeworpen - vraag of een bouwvergunning van rechtswege is verleend niet worden beantwoord dan na onderzoek door de rechter of zich een weigeringsgrond ingevolge het bestemmingsplan voordoet. De rechter is daarbij niet gebonden aan hetgeen partijen daaromtrent stellen.
2.2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Valkenburg, herziening 1999" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften (doeleindenomschrijving), zijn de op de plankaart als woondoeleinden aangegeven gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor woondoeleinden en parkeervoorzieningen, niet zijnde overdekte parkeeraccommodaties voor meer dan drie auto's.
Ingevolge artikel 8, derde lid, voor zover thans van belang, mogen op de tot woondoeleinden bestemde gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen met dien verstande dat:
b. op de plankaart A aangegeven bestaande bebouwing niet mag worden uitgebreid, met uitzondering van bijgebouwen en met dien verstande dat langs de Prinses Margrietlaan/Prins Bernhardlaan nieuwbouw kan plaatsvinden met maximaal 7 grondgebonden woningen.
c. op de gronden, naast de bestaande bebouwing, geen woningen mogen worden opgericht.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 13, wordt in deze voorschriften onder bestaande bebouwing verstaan: de als zodanig op plankaart A en B aangegeven bebouwing, welke bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, danwel op dat tijdstip op basis van een afgegeven bouwvergunning mag worden gebouwd, tenzij in de bouwvoorschriften anders is bepaald.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 20, wordt in deze voorschriften onder bijgebouw verstaan: een gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 37, wordt in deze voorschriften onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat door zijn omvang, constructie en situering het belangrijkste gebouw op een bouwperceel is.
2.2.4. Op de plankaart A is op het perceel geen bestaande bebouwing aangegeven. De plankaart A en de in artikel 8, derde lid, aanhef en onderdelen b en c vervatte bouwvoorschriften in onderling verband bezien, dient het bepaalde in artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de planvoorschriften aldus te worden gelezen dat op het perceel in beginsel alleen bijgebouwen mogen worden opgericht.
Op het perceel, waarop de voertuigenstalling is gelegen, bevindt zich geen ander gebouw, zodat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het college zich in het besluit van 1 mei 2007 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voertuigenstalling een bijgebouw is, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 20 van de planvoorschriften.
Nu de voertuigenstalling geen bijgebouw is, mag deze, gelet op het bepaalde in artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de planvoorschriften niet op het perceel worden opgericht. Gelet hierop is de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, tot de conclusie gekomen dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is, zodat geen bouwvergunning van rechtswege is verleend. Het betoog faalt.
2.3. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat met de weigering bouwvergunning te verlenen het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat het college eerder onder dezelfde omstandigheden bouwvergunning heeft verleend voor het oprichten van een voertuigenstalling op het perceel.
2.3.1. Het betoog faalt. Een bestuursorgaan moet een gemaakte fout kunnen herstellen. De mogelijkheid daartoe vindt echter haar begrenzing in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de door die beginselen getrokken grenzen in dit geval heeft overschreden.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
17-476.