Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9765

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802668/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 24 april 2007 heeft appellant sub 1 (hierna: het college), voor zover thans van belang, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geweigerd aan appellant sub 2 krachtens artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 vergunning te verlenen voor het vernieuwen van een werkkast op het dakterras aan de achterzijde van het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand).


Uitspraak

200802668/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het college van burgemeester en wethouders van Middelburg, 2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 25 maart 2008 in zaak nr. 07/547 in het geding tussen: appellanten sub 2 en appellant sub 1. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 april 2007 heeft appellant sub 1 (hierna: het college), voor zover thans van belang, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geweigerd aan appellant sub 2 krachtens artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 vergunning te verlenen voor het vernieuwen van een werkkast op het dakterras aan de achterzijde van het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand). Bij uitspraak van 25 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellanten sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2008, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2008, hoger beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 4 juni 2008. [appellanten sub 2] en het college hebben elk een verweerschrift ingediend. Het college en [appellanten sub 2] hebben elk nog nadere stukken ingediend. Deze zijn steeds aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2008, waar het college, vertegenwoordigd door H.P. Koster, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [appellanten sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. V.C. Serrarens, advocaat te Middelburg, zijn verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C] en [belanghebbende D] (hierna: [belanghebbende]) gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders: a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.2. Bij besluit van 30 september 1997 is het pand als rijksmonument aangewezen. 2.3. De monumentencommissie heeft het college op 2 november 2006 geadviseerd dat het op de voorgenomen wijze vernieuwen van de werkkast op het dakterras aan de achterzijde van het pand in ernstige mate afbreuk doet aan het rijksmonument en de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht, omdat de voorziene werkkast te grof en opvallend is en niet op een dakterras, maar in een tuin thuishoort. Op 14 december 2006 heeft zij het college verder geadviseerd dat de voorziene werkkast, die groter is dan de oorspronkelijk aanwezige kast, te dominant is en niet bij de architectuur van het pand past. De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: de RACM) heeft het college op 25 januari 2007 is geadviseerd dat het formaat, de vorm en de kleur van de voorziene kast een aantasting van de monumentale waarden van het pand vormen, hoewel deze zich aan de achterzijde van het gebouw bevindt en de achtergevel niet meer in de oorspronkelijke staat is, en dat de bouw van de werkkast daarnaast een inbreuk op de historisch stedenbouwkundige waarde van het gebied behelst. Het besluit van 24 april 2007 is op deze adviezen gebaseerd. 2.4. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het plaatsen van een werkkast op het dakterras aan de achterzijde van het pand een verstoring of wijziging in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 met zich brengt en zij daarvoor een vergunning krachtens die wet nodig hebben, heeft miskend dat het vernieuwen van de oude werkkast tot het gewone onderhoud in de zin van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet behoort, de aanwezigheid van de oude werkkast niet aan aanwijzing van het pand als rijksmonument in de weg heeft gestaan, de nieuwe werkkast in verhouding tot de serre op het dakterras niet opvalt en deze niet aan de grond van het dakterras is vastgeklonken. 2.4.1. Dat het vernieuwen van de werkkast, als gesteld, tot het gewone onderhoud, als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, behoort en voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning is vereist, betekent niet dat de rechtbank de weigering van de verzochte vergunning daarom ten onrechte niet heeft vernietigd. Dat het pand als rijksmonument is aangewezen, ondanks de aanwezigheid van de oorspronkelijke werkkast, die niet in de bij het aanwijzingsbesluit behorende omschrijving van het monument is vermeld, betekent niet zonder meer dat plaatsing van een andere werkkast geen verstoring of wijziging, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, kan opleveren. Ook indien wordt aangenomen dat de vernieuwde werkkast, in verhouding tot de serre op het dakterras, als gesteld, nauwelijks opvalt en niet aan de grond van dat dakterras is vastgeklonken, laat dat voorts onverlet dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich met verwijzing naar de adviezen van de monumentencommissie en de RACM op het standpunt heeft mogen stellen dat het plaatsen van de werkkast tot een verstoring of wijziging van het rijksmonument heeft geleid. De rechtbank heeft [appellanten sub 2] derhalve terecht niet gevolgd in hun betoog dat voor het vervangen van de werkkast geen vergunning krachtens de Monumentenwet 1988 vereist is. Het betoog faalt. 2.5. [appellanten sub 2] betogen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat hun beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, heeft miskend dat het college in het door hen bedoelde geval vergunning heeft verleend voor het plaatsen van een tuinhuis dat veel groter is dan de werkkast. 2.5.1. Aangezien [appellanten sub 2] niet betwisten dat in het door hen bedoelde geval de achtertuin niet tot een rijksmonument of het beschermd stadsgezicht van Middelburg behoort, geeft het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het plaatsen van een tuinhuis in die tuin ten onrechte niet op één lijn heeft gesteld met het vernieuwen van de werkkast op het dakterras aan de achterzijde van hun pand. Het betoog faalt. 2.6. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat op de luchtfoto van maart 2005 duidelijk is te zien dat de nieuwe werkkast groter is dan de voorheen aanwezige kast en [belanghebbende] ter zitting heeft bevestigd dat de afmetingen van de vernieuwde werkkast beduidend groter zijn dan die van de voorheen aanwezige kast. 2.6.1. De rechtbank heeft met de door het college overgelegde foto's terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat de nieuwe werkkast groter is dan de voorheen daar aanwezige kast. Verder is de verklaring die [belanghebbende] ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd, niet van een objectieve bron afkomstig. Dat brengt met zich dat de rechtbank dat terecht met deze verklaring evenmin aannemelijk gemaakt heeft geacht. Het betoog faalt. 2.7. Het college betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat de RACM in het advies van 25 januari 2007 niet heeft betrokken dat de aanwezigheid van de serre op het dakterras reeds tot een aanzienlijke aantasting van het monument leidt, buiten het geschil is getreden, aangezien [appellanten sub 2] geen beroepsgronden met betrekking tot die serre hebben aangevoerd. 2.7.1. In beroep hebben [appellanten sub 2] onder verwijzing naar een deskundigenrapport aangevoerd dat - samengevat weergegeven - de vernieuwde werkkast een ondergeschikt onderdeel van het dakterras is, dat in verhouding tot de serre nauwelijks opvalt. In het licht hiervan heeft de rechtbank, de rechtsgronden aanvullend, terecht onderzocht of het college voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de belangen van het behoud van dat monument, gezien de reeds lang bestaande aantasting van het rijksmonument door de aanwezigheid van de serre, dienen te prevaleren boven die van [appellanten sub 2] bij verlening van de gevraagde vergunning. Aangezien uit het door het college ingewonnen advies van 25 januari 2007 niet blijkt dat de RACM met de aanwezigheid van de serre rekening heeft gehouden, is de juistheid en volledigheid van dat advies niet buiten twijfel, zodat de rechtbank niet ten onrechte door het college onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd heeft geacht dat verdergaande aantasting van het rijksmonument door het vernieuwen van de werkkast niet wordt toegestaan. Het betoog faalt. 2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9. Het college dient op na te melden wijze in de door [appellanten sub 2] gemaakte kosten te worden verwezen. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Middelburg tot vergoeding van de bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het door het college van burgemeester en wethouders van Middelburg ingestelde hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Middelburg aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de gemeente Middelburg € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) aan griffierecht heft. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. O. de Savornin Lohman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Hazen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 452.