
Jurisprudentie
BG9763
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801468/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801468/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan [locatie] te [plaats].
Uitspraak
200801468/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de stichting Stichting Varkens Nee, gevestigd te Tholen, en anderen,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Zeeland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit hebben de Stichting Varkens Nee en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Stichting Varkens Nee en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2008, waar de Stichting Varkens Nee en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.A. Jansen, drs. P.J. van Reest, J. Merkx, B.J. Hanning en B.H. Maring, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door B. Rijnen en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Bij het bestreden besluit is onder andere vergunning verleend voor het houden van 8.520 vleesvarkens. Daarbij worden 5.880 vleesvarkens gehouden in Groen Labelstal BB 98.10.065 en 2.640 vleesvarkens in Groen Labelstal BB 96.10.043 V1. Aan de bij besluit van 20 december 1994 voor de inrichting krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning kunnen rechten worden ontleend voor het houden van 4.800 mestvarkens in Groen Labelstalsysteem BB 93.06.010. Het bestreden besluit ziet derhalve op een uitbreiding met 3.720 vleesvarkens.
Ontvankelijkheid
2.2. Vergunninghoudster betwist dat de Stichting Varkens Nee (hierna: de Stichting) tegen het bestreden besluit beroep in kan stellen, nu de Stichting volgens haar geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
2.2.2. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de statuten van de Stichting heeft zij tot doel 'het stelling nemen tegen - en zo mogelijk de verhindering van - de komst van grootschalige varkensmesterijen naar het grondgebied van de gemeente Tholen en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords'.
Op grond van artikel 2, tweede lid, van de statuten van de Stichting tracht de Stichting haar doel onder meer te verwezenlijken door:
- het uitwisselen van informatie hieromtrent tussen alle betrokken belangengroepen;
- het regelmatig bijeenkomen en via overleg en eventueel procedures het verzet tegen de komst van grootschalige varkensmesterijen naar het grondgebied van de gemeente Tholen verder stimuleren;
- het geven van informatie aan overheden met betrekking tot de omvang en gevolgen van de komst van de grootschalige varkensmesterijen naar de relatief schone gemeente Tholen, zowel op lokaal, regionaal en landelijk niveau;
- het ontbreken van een maatschappelijk draagvlak voor de komst van de grootschalige varkensmesterijen naar de gemeente Tholen onder de aandacht brengen.
Gebleken is dat de in de statuten genoemde werkzaamheden ook daadwerkelijk plaatsvinden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de Stichting door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Gelet op het bovenstaande moet de Stichting als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt.
2.3. De Stichting Varkens Nee en anderen kunnen zich niet verenigen met het aan de veranderingsvergunning verbonden voorschrift 3.1.1. Volgens hen heeft dit voorschrift betrekking op de gehele inrichting terwijl de krachtens de Wet milieubeheer verleende veranderingsvergunning slechts betrekking heeft op het veranderen van een gedeelte van de inrichting. Met het opnemen van dit voorschrift is buiten de omvang van de vergunning getreden, aldus de Stichting Varkens Nee en anderen.
2.3.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft nu de aanvraag om veranderingsvergunning bij het college van burgemeester en wethouders van Tholen is binnengekomen op 20 januari 1997.
2.3.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
De Stichting Varkens Nee en anderen hebben de grond over voorschrift 3.1.1 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de Stichting Varkens Nee en anderen redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat deze beroepsgrond in zoverre niet-ontvankelijk is.
Algemeen toetsingskader
2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.
Beste beschikbare technieken
2.5. De Stichting Varkens Nee en anderen stellen dat in de inrichting niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Zij voeren in dat kader aan dat de stallen met het Groen Label-stalsysteem BB98.10.065 niet als bestaande stallen kunnen worden aangemerkt omdat in deze stallen 1.080 mestvarkens meer mogen worden gehouden dan de 4.800 mestvarkens waarvoor vergunninghoudster over bestaande rechten beschikt. Nu deze stallen hinder voor omwonenden opleveren vanwege de geurpiek die optreedt bij het spoelen, kan dit stalsysteem niet als beste beschikbare techniek worden aangemerkt, aldus de Stichting Varkens Nee en anderen.
2.5.1. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de Regeling) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in de tabellen 1 en 2 , die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Regeling wordt met de in tabel 1 van de bijlage vermelde documenten in ieder geval rekening gehouden, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installaties, zoals hier aan de orde, betreft.
Ingevolge tabel 1 bij de Regeling, onder 6.6b, is voor installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg) als het primair relevante BREF-document het BREF Intensieve veehouderij aangewezen. Hiermee doelt de Regeling op het "Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs", dat de Europese Commissie in juli 2003 bekend heeft gemaakt (hierna: BREF Intensieve veehouderij).
2.5.2. Het Groen Label-stalsysteem BB98.10.065 heeft betrekking op een stal met een geïnstalleerd spoelgotensysteem met roosters. Op grond van het BREF Intensieve veehouderij kan dit stalsysteem voor nieuwbouwstallen slechts als beste beschikbare techniek worden aangemerkt indien de geurpiek als gevolg van het spoelen naar verwachting geen overlast zal opleveren voor omwonenden. Wanneer dit stalsysteem echter reeds wordt toegepast in bestaande stallen, is het onvoorwaardelijk aan te merken als beste beschikbare techniek.
2.5.3. Met betrekking tot de vraag of de stallen met het Groen Label-stalsysteem BB98.10.065 als bestaande stallen kunnen worden aangemerkt, overweegt de Afdeling als volgt. Bij het besluit van 20 december 1994 is vergunning verleend voor het houden van mestvarkens in stallen met het Groen Label-stalsysteem BB93.06.10. Dit stalsysteem is een stal met een gedeeltelijk roostervloer waarbij mestopvang en spoelen plaatsvindt in NH3-arme vloeistof. De techniek zoals vermeld in het BREF Intensieve veehouderij, te weten een volledige of gedeeltelijke roostervloer met spoelgoten of -buizen eronder waar wordt gespoeld met niet-beluchte vloeistof, was derhalve reeds bij het besluit van 20 december 1994 vergund zodat de stallen met het Groen Label-stalsysteem BB98.10.065 in dit geval als bestaande stallen kunnen worden aangemerkt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de grootte van de stallen ongewijzigd blijft; de hokken en de beide stallen behoeven niet te worden aangepast vanwege de toename van het aantal dieren. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de stallen met het Groen Label-stalsysteem BB98.10.065 als beste beschikbare techniek kunnen worden aangemerkt. De beroepsgrond faalt.
Stankhinder
2.6. De Stichting Varkens Nee en anderen stellen dat de inrichting ontoelaatbare stankhinder veroorzaakt. Zij voeren aan dat het college bij de beoordeling van de stankhinder ten onrechte de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Richtlijn) en de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure) heeft toegepast, althans dat ten aanzien van het stalsysteem BB98.10.065 ten onrechte de in de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactor voor Groen Label-stallen is gehanteerd, daar deze stallen volgens hen niet geuremissiearm zijn gelet op de huidige milieutechnische inzichten. Zij verwijzen daarbij naar rapporten van het Instituut voor Milieu- en Agritechniek met kenmerk 2000-11 en kenmerk 2002-09. In deze rapporten is volgens de Stichting Varkens Nee en anderen vermeld dat, kort samengevat, voor een stalsysteem met spoelgoten, zoals het stalsysteem BB98.10.065, de geuremissie tijdens het spoelen significant hoger is dan wanneer niet wordt gespoeld. Daarom zijn in de Regeling stankemissie in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Regeling stankemissie) en in de Regeling geurhinder en veehouderij stalsystemen met spoelgoten niet meer gewaardeerd als geuremissiearme stalsystemen, aldus de Stichting Varkens Nee en anderen. Voorts biedt de in de Richtlijn en brochure gehanteerde categorie-indeling te weinig bescherming aan agrariërs en wordt in de Richtlijn de stankhinder van grote inrichtingen stelselmatig onderschat, aldus de Stichting Varkens Nee en anderen. Verder heeft het college volgens hen ten onrechte geweigerd een middelvoorschrift op te nemen ten aanzien van het spoelen van de stallen bij oostenwind. Ten slotte voeren zij aan dat het college voorbij gaat aan het feit dat de vergunde brijvoerinstallatie een extra bron van stankhinder oplevert.
2.6.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn gehanteerd voor zover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de minimaal aan te houden afstanden betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft het college de brochure gehanteerd.
2.6.2. Met betrekking tot de vraag of stalsysteem BB98.10.065, gelet op de huidige milieutechnische inzichten, als geuremissiearm kan worden aangemerkt, overweegt de Afdeling als volgt.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 maart 2004 in zaak nr. 200304128/1 kunnen de omrekeningsfactoren uit de Regeling stankemissie niet worden aanvaard als meest recente milieutechnische inzichten wanneer, zoals hier, de Regeling stankemissie niet van toepassing is en de stankhinder is beoordeeld aan de hand van de Richtlijn. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen. De Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder zijn evenmin van toepassing. Nu voorts in rechtsoverweging 2.5.3 is overwogen dat de stallen met het Groen Label-stalsysteem BB98.10.065 als beste beschikbare techniek kunnen worden aangemerkt, overweegt de Afdeling dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze stallen niet als geuremissiearme stallen kunnen worden aangemerkt.
Nu uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende aanvraag volgt dat vergunning is gevraagd en verleend voor stallen met Groen Label nummer BB98.10.065 heeft het college bij de berekening van het aantal mestvarkeneenheden, wat de vleesvarkens in deze stallen betreft, op goede gronden de in bijlage 1 van de Richtlijn genoemde omrekeningsfactor van 1,4 voor vleesvarkens in Groen-Labelstallen gehanteerd. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
2.6.3. De Stichting Varkens Nee en anderen hebben hun overige gronden tegen toepassing van de Richtlijn en de brochure, te weten dat de daarin gehanteerde categorie-indeling te weinig bescherming biedt aan agrariërs en dat de Richtlijn de stankhinder van grote inrichtingen onderschat, onvoldoende onderbouwd. De Afdeling ziet in deze gronden geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de Richtlijn en de brochure tot uitgangspunt heeft kunnen nemen bij de beoordeling van het aspect stankhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Deze onderdelen van de beroepsgrond falen.
2.6.4. Met betrekking tot het opnemen van een middelvoorschrift ten aanzien van het spoelen van de stallen bij oostenwind stelt het college zich op het standpunt dat het opnemen van een dergelijk spoelverbod leidt tot een verhoogde ammoniakuitstoot omdat de hoeveelheid mest in de spoelgoten toeneemt en zodoende het emitterend mestoppervlak wordt vergroot en de geuremissie toeneemt. Gelet op deze motivering heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van een middelvoorschrift ten aanzien van het spoelen van de stallen bij oostenwind niet nodig was. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
2.6.5. Ten aanzien van de stelling dat de vergunde brijvoerinstallatie een extra bron van stankhinder oplevert, overweegt de Afdeling dat aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning voorschriften zijn verbonden ter voorkoming van geurhinder veroorzaakt door natte brijvoerproducten. De afstand van de brijvoerinstallatie tot het meest nabijgelegen stankgevoelige object bedraagt 390 meter. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de brijvoerinstallatie niet tot onaanvaardbare stankhinder leidt. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
De beroepsgronden over stankhinder falen.
Ammoniakdepositie
2.7. Het college heeft in een eerder stadium op de aanvraag om veranderingsvergunning beslist. De bij besluit van 3 augustus 2005 verleende veranderingsvergunning is bij uitspraak van 20 september 2006, in zaak nr. 200507955/1, door de Afdeling vernietigd omdat - kort weergegeven - het college de ammoniakdepositie ten gevolge van de uitbreiding van de inrichting op de Oud-Vossemeersedijk niet had betrokken bij de beantwoording van de vraag of vergunningverlening op grond van de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Pb. 1996, L257/26; hierna: Richtlijn 96/61/EG) mogelijk was en voorts niet was gebleken van een inventarisatie naar waardevolle vegetaties ter plaatse van de in de nabijheid van de inrichting gelegen Nieuwlandsedijk en Oud-Vossemeersedijk.
2.7.1. De Stichting Varkens Nee en anderen voeren aan dat het door het college verrichte onderzoek naar de invloed van de inrichting op de Nieuwlandsedijk en Oud-Vossemeersedijk op onjuiste aannames is gebaseerd, daar in dit onderzoek is uitgegaan van onjuiste vegetatietypen en, daarmee samenhangend, van een onjuiste kritische depositiewaarde. Zij betogen dat de constatering van het college dat de vegetatie op de Oud-Vossemeersedijk behoort tot de in het Handboek natuurdoeltypen 2001 (hierna: het Handboek) opgenomen natuurdoeltype 'bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied (3,39)', subtypen b (glanshaverhooiland) en c (kamgrasweide), niet juist is. De vegetatie moet volgens hen worden aangemerkt als droog schraalgrasland, welke vegetatie een tolerantie heeft van minder dan 1400 stikstof per hectare per jaar. Aangezien de ammoniakdepositie van de inrichting hoger is, staat Richtlijn 96/61/EG volgens hen aan vergunningverlening in de weg.
2.7.2. Door het college is de ammoniak- en stikstofdepositie beoordeeld op onder meer de Nieuwlandsedijk en de Oud-Vossemeersedijk. Daarbij is de kwetsbaarheid van het in het gebied aanwezige natuurdoeltype beoordeeld. Door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is in mei/juni 2007 onderzocht welke vegetatie ter plaatse voorkomt; de resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in rapport 2007-28 (hierna: het rapport).
2.7.3. Op een afstand van meer dan 1.000 meter van de inrichting is de Oud-Vossemeersedijk gelegen. De Oud-Vossemeersedijk heeft een soortenrijke, waardevolle vegetatie met veel karakteristieke dijkplanten. De oppervlakte van deze vegetatie bedraagt 0,58 hectare. In hoofdzaak is hier sprake van glanshavervegetatie. Het college heeft bij de bepaling van de kritische depositiewaarde van de Oud-Vossemeersedijk en de Nieuwlandsedijk aansluiting gezocht bij het Handboek. Uitgaande van het rapport concludeert het college dat de vegetatie op de Oud-Vossemeersedijk tot het in het Handboek opgenomen natuurdoeltype 'bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied (3,39)', subtypen b (glanshaverhooiland) en c (kamgrasweide). De vegetatie is aangepast aan een lichte vorm van agrarische bemesting en heeft een tolerantie van meer dan 2400 mol stikstof per hectare per jaar, aldus het college. Deze waarde wordt niet overschreden met de vergunningverlening.
Met betrekking tot de Nieuwlandsedijk komt de tolerantie volgens het college overeen met die van licht bemeste cultuurgraslanden welke meer bedraagt dan 4000 mol stikstof per hectare per jaar. Niet in geschil is dat deze waarde evenmin wordt overschreden. Het college heeft zich op grond van het voorgaande op het standpunt gesteld dat de aanwezige vegetatie en de ammoniakdepositie daarop geen aanleiding geeft om de gevraagde vergunning in verband met het gestelde in artikel 9, vierde lid, van Richtlijn 96/61/EG niet te verlenen of daaraan aanvullende voorschriften te verbinden.
2.7.4. Ingevolge artikel 9, vierde lid, van Richtlijn 96/61/EG zijn onverminderd artikel 10 de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in het derde lid, gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. De vergunningvoorwaarden bevatten in ieder geval bepalingen betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en waarborgen een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
2.7.5. Vast staat dat op deze inrichting, gelet op het daarin te houden veebestand, Richtlijn 96/61/EG van toepassing is. Niet aannemelijk is geworden dat het college zich op basis van het rapport niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vegetatie op de Oud-Vossemeersedijk behoort tot het in het Handboek opgenomen natuurdoeltype 'bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied (3,39)', subtypen b (glanshaverhooiland) en c (kamgrasweide). Het college heeft vervolgens terecht uit het Handboek afgeleid dat deze vegetatie een tolerantie heeft van meer dan 2400 mol stikstof per hectare per jaar. Reeds gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanwezige vegetatie en de ammoniakdepositie daarop geen aanleiding geeft om de gevraagde vergunning in verband met het gestelde in artikel 9, vierde lid, van Richtlijn 96/61/EG niet te verlenen of daaraan aanvullende voorschriften te verbinden. De beroepsgrond faalt.
Geluidhinder
2.8. De Stichting Varkens Nee en anderen stellen dat de inrichting ontoelaatbare geluidhinder veroorzaakt. Zij voeren aan dat de gestelde geluidvoorschriften niet toereikend zijn, nu deze zijn verbonden aan de bij het besluit van 20 december 1994 verleende vergunning en derhalve niet gelden voor de thans vergunde uitbreiding. Voorts voeren zij aan dat de in voorschrift B.1 gestelde geluidgrenswaarden niet toereikend zijn, nu daarmee niet gegarandeerd is dat de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en milieubeheer opgenomen richtwaarde voor landelijke gebieden van 30 dB(A) tijdens de nachtperiode ter plaatse van de dichtstbijgelegen woning van derden ([locatie]) wordt nageleefd. Voorts voeren de Stichting Varkens Nee en anderen aan dat voorschrift B.1 niet naleefbaar is omdat dit voorschrift direct van kracht wordt, het plaatsen van een geluiddemper niet per definitie leidt tot een reductie van 9 dB(A) en in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met een toeslagfactor van 5 dB(A) in verband met het tonaal geluid afkomstig van de liftinstallatie. Verder is voorschrift B.4 niet toereikend, nu vergunninghoudster daarin 6 maanden de tijd krijgt om middels een onderzoek aan te tonen dat aan voorschrift B.1 wordt voldaan, terwijl voorschrift B.1 reeds voor die datum in werking treedt, aldus de Stichting Varkens Nee en anderen. Ten slotte voeren zij aan dat er ten onrechte geen controlevoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zijn gesteld.
2.8.1. Aan de bij het besluit van 20 december 1994 verleende oprichtingsvergunning zijn geluidvoorschriften verbonden. Deze vergunning blijft - naast de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning - van kracht. Nu de strekking van de desbetreffende voorschriften en de aard van de veranderingen zich daartegen niet verzetten, moeten deze voorschriften ook worden geacht betrekking te hebben op de bij het bestreden besluit vergunde veranderingen van de inrichting. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is aan de veranderingsvergunning nadere geluidvoorschriften te verbinden. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
2.8.2. De geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, zoals deze worden gesteld in het aan de veranderingsvergunning verbonden voorschrift B.1, gelden ter plaatse van een drietal referentiepunten in de nabijheid van de inrichting en niet ter plaatse van de woning aan de [locatie]. Uit het in de genoemde zaak 200507955/1 opgestelde deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening van 8 maart 2006 (hierna: het deskundigenbericht) volgt dat met de in voorschrift B.1 gestelde grenswaarden gegarandeerd wordt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woning [locatie] onder de richtwaarde van 30 dB(A) tijdens de nachtperiode blijft. Niet gebleken is dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
2.8.3. In het deskundigenbericht wordt verder vermeld dat aannemelijk is dat aan de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, zoals deze worden gesteld in het aan de veranderingsvergunning verbonden voorschrift B.1, kan worden voldaan. Het in de geluidvoorschriften opgenomen tijdsbestek van twee maanden wordt in het deskundigenbericht voldoende geacht om geluidreducerende maatregelen te treffen in de vorm van geluiddempers. Uit het deskundigenbericht volgt verder dat het geluid van de varkenslift ter plaatse van de woning niet meer te horen is, zodat voor dit geluid geen straffactor behoeft te worden toegepast. Dat het geluid van de varkenslift op de referentiepunten wellicht nog wel waarneembaar is, maakt dit niet anders. De straffactor is slechts bedoeld ter bescherming van geluidgevoelige objecten. Niet aannemelijk is gemaakt dat het gestelde in het deskundigenbericht op deze punten onjuist is, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het aan de vergunning verbonden geluidvoorschrift B.1 niet naleefbaar is. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
2.8.4. Het aan de vergunning verbonden voorschrift B.4 vereist dat vergunninghoudster binnen zes maanden na het in werking treden van de vergunning onderzoek moet verrichten waaruit blijkt dat door het treffen van geluidreducerende maatregelen aan het gestelde in het aan de veranderingsvergunning verbonden voorschrift B.1 kan worden voldaan. Gelet op de redactie van dit voorschrift overweegt de Afdeling dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er controlevoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zijn opgesteld. Voor zover de Stichting Varkens Nee en anderen aanvoeren dat het aan de vergunning verbonden voorschrift B.4 niet toereikend is, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat het onderzoek waaruit blijkt dat door het treffen van geluidreducerende maatregelen aan het gestelde in het aan de veranderingsvergunning verbonden voorschrift B.1 kan worden voldaan binnen de gestelde termijn is verricht. Niet aannemelijk is gemaakt dat de in het voorschrift gestelde termijn te lang is. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
De beroepsgronden over geluidhinder falen.
Zwevende deeltjes
2.9. De Stichting Varkens Nee en anderen voeren aan dat de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) niet in acht worden genomen. Volgens hen is niet duidelijk waar de grens van de inrichting is gelegen zodat de concentratie zwevende deeltjes op de grens van de inrichting niet kan worden bepaald. Verder voeren zij aan dat het luchtkwaliteitonderzoek dat mede aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet representatief is. In het onderzoek is volgens hen in strijd is met de richtlijn 1999/30/EG een zeezoutcorrectie toegepast. Verder is in het onderzoek uitgegaan van een jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes van 0 microgram per m3, hetgeen volgens hen niet realistisch is en is uitgegaan van een onjuiste ligging van de emissiepunten. Voorts blijkt uit een eigen berekening dat de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes meer dan 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden, aldus de Stichting Varkens Nee en anderen.
2.9.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, volgt dat bestuursorganen de bevoegdheid te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in gevallen waarin bij uitoefening aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of het tot op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.
Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;
b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
2.9.2. Bij de aanvraag om veranderingsvergunning heeft vergunninghoudster een situatietekening overgelegd. Op deze situatietekening is de inrichtingsgrens aangegeven. Gelet hierop is de Afdeling is van oordeel dat de grens van de inrichting voldoende bepaalbaar is. Dit onderdeel van de beroepsgrond faalt.
2.9.3. Namens het college is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd waarin verspreidingsberekeningen zijn gemaakt van de concentratie voor zwevende deeltjes volgens de methode van het Nieuw Nationaal Model. Uit dit onderzoek volgt dat de in voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie wordt onderschreden. De in het voorschrift opgenomen grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie wordt 12 maal per kalenderjaar overschreden. Voor zover de Stichting Varkens Nee en anderen hebben aangevoerd dat een jaargemiddelde concentratie van 0 microgram per m3 niet realistisch is, overweegt de Afdeling dat deze constatering op een foutieve lezing van het luchtkwaliteitsonderzoek berust; in het onderzoek is slechts bedoeld dat er geen overschrijding van de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes plaatsvindt. De door de Stichting Varkens Nee en anderen uitgevoerde berekeningen zijn gebaseerd op algemene rapporten zodat hier geen doorslaggevende betekenis aan kan toekomen.
Indien de zeezoutcorrectie achterwege zou zijn gelaten, zou de in voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie 18 maal per kalenderjaar worden overschreden, zodat ook in dat geval geen overschrijding plaatsvindt van het in het voorschrift opgenomen maximum aantal overschrijdingsdagen. De vraag of deze correctie ten onrechte is toegepast, behoeft derhalve geen bespreking. Blijkens het verhandelde ter zitting is een aanvullende verspreidingsberekening gemaakt waarbij is uitgegaan van een worst-case scenario waarin de gezamenlijke bronnen van de stallen A en B aan het uiteinde van het gebouw aan de zijde van de Groene- of Hokseweg zouden zijn geplaatst. Uit deze berekening is gebleken dat ook in dat geval kon worden voldaan aan het gestelde in voorschrift 4.1. Het college heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer niet aan vergunningverlening in de weg staat. Deze onderdelen van de beroepsgrond falen.
De beroepsgronden over zwevende deeltjes falen.
2.10. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen het aan de veranderingsvergunning verbonden voorschrift 3.1.1;
II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Fransen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
407-570.