Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9761

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708565/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) een verzoek van de stichting Stichting Varkens Nee en anderen om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een varkenshouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.


Uitspraak

200708565/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de stichting Stichting Varkens Nee, gevestigd te Tholen, en anderen, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Zeeland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) een verzoek van de stichting Stichting Varkens Nee en anderen om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een varkenshouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het college het door de Stichting Varkens Nee en anderen hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit van 27 februari 2007 in stand gelaten. Tegen dit besluit hebben de Stichting Varkens Nee en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2008, waar de Stichting Varkens Nee en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.A. Jansen, drs. P.J. van Reest, J. Merkx, B.J. Hanning en B.H. Maring, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door B. Rijnen en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Bij besluit van 20 december 1994 heeft het college aan [vegunninghoudster] vergunning verleend voor het houden van 6.720 mestvarkens in de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Niet in geschil is dat aan deze vergunning nog rechten kunnen worden ontleend voor het houden van 4.800 mestvarkens. Evenmin is in geschil dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit meer dan 4.800 mestvarkens werden gehouden in deze inrichting. 2.2. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat het college terzake handhavend kon optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.3. Het college heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat er concreet uitzicht op legalisatie is. 2.3.1. De Stichting Varkens Nee en anderen betogen dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Volgens hen heeft het college het belang van vergunninghoudster bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte laten prevaleren boven het milieubelang. Zij voeren in dit kader aan dat sprake is van een onvergunbare situatie, gelet op de ammoniakdepositie op natuurgebieden in de omgeving. Bovendien staat volgens De Stichting Varkens Nee en anderen de door de inrichting veroorzaakte stankhinder aan vergunningverlening in de weg. 2.3.2. Vergunninghoudster heeft op 20 januari 1997 een aanvraag om een veranderingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2005 heeft het college de gevraagde vergunning verleend voor het houden van 8.520 vleesvarkens. Daarbij mochten 5.880 vleesvarkens worden gehouden in Groen Labelstal BB 98.10.065 en 2.640 vleesvarkens in Groen Labelstal BB 96.10.043 V1. De Afdeling heeft dit besluit bij uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200507955/1 vernietigd. Zij overwoog daartoe dat het college de ammoniakdepositie ten gevolge van de uitbreiding van de inrichting op de Oud-Vossemeersedijk niet had betrokken bij de beantwoording van de vraag of vergunningverlening op grond van de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Pb. 1996, L257/26) mogelijk was en voorts niet was gebleken van een inventarisatie naar waardevolle vegetaties ter plaatse van de in de nabijheid van de inrichting gelegen Nieuwlandsedijk en Oud-Vossemeersedijk. 2.3.3. Naar aanleiding van de genoemde uitspraak van de Afdeling heeft het college door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot in mei/juni 2007 laten onderzoeken welke vegetatie ter plaatse van de dijken in de omgeving van de inrichting voorkomt. Dit onderzoek was reeds afgerond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Voorts had het college ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds onderzoek gedaan naar de ammoniakdepositie op natuurgebieden in de omgeving en naar de stankhinder voor de omgeving vanwege het in werking zijn van de inrichting. 2.3.4. Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] nogmaals een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 8.520 vleesvarkens, verdeeld over de eerder genoemde Groen Labelstallen. Het tegen dit besluit gerichte beroep is bij uitspraak van heden, in zaak nr. 200801468/1, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Vergunninghoudster heeft de bij het vernietigde besluit van 3 augustus 2005 vergunde stallen opgericht en in werking gebracht. Zij hield ten tijde van het nemen van het primaire besluit en ten tijde van het bestreden besluit in deze stallen niet meer dan 8.520 vleesvarkens. Gelet op het voorgaande was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling voldoende zeker dat de gevraagde vergunning kon worden verleend, zodat concreet zicht op legalisatie bestond. Het college heeft aldus op goede gronden afgezien van het gebruik van bestuurlijke handhavingsmiddelen tegen het zonder toereikende vergunning in werking zijn van de inrichting. De beroepsgrond faalt. 2.4. Het beroep is ongegrond. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Fransen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 407-570.