Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9760

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707693/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 14 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KWS Infra B.V. (hierna: KWS) voor de duur van tien jaar een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor onder meer het vervaardigen van asfalt en asfaltproducten en de opslag van minerale grondstoffen en niet-teerhoudend oud asfalt dat geschikt is voor hergebruik, gelegen aan de Gewenten 81-81h te Roosendaal. Dit besluit is op 21 september 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200707693/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], en andere, 2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 14 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KWS Infra B.V. (hierna: KWS) voor de duur van tien jaar een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor onder meer het vervaardigen van asfalt en asfaltproducten en de opslag van minerale grondstoffen en niet-teerhoudend oud asfalt dat geschikt is voor hergebruik, gelegen aan de Gewenten 81-81h te Roosendaal. Dit besluit is op 21 september 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellante sub 1 D], [appellante sub 1 E], [appellante sub 1 F], [appellante sub 1 G], [appellante sub 1 H] en [appellante sub 1 I] (hierna: [appellanten sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2007, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2007, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 1], [appellante sub 2] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2008, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. R.C. van Wamel, advocaat te Dordrecht, en [directeur], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.M. Kaajan, advocaat te Amsterdam, en L. de Bruin, en het college, vertegenwoordigd door M.Th. Beekmans-Trum, ir. T.F.A.M. Teunissen en ing. J.H. van Dillen, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting KWS, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, en ing. H. Wijnmaalen, als partij gehoord. Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken ontvangen van het college en [appellanten sub 1] 2. Overwegingen 2.1. Eerst bij nadere memorie van 20 mei 2008 hebben [appellanten sub 1] ten aanzien van geluidhinder als nadere argumenten naar voren gebracht dat in het zonebeheermodel geen geluidruimte is gereserveerd voor braakliggende percelen, niet is gerekend met bodemfactor Bf = 0, en dat voor MTG-punt S46 de berekende waarde als gevolg van KWS niet ten minste 20 dB lager is dan de grenswaarde. Nu op dat moment reeds een deskundigenbericht was uitgebracht en deze stellingen in het deskundigenonderzoek hadden moeten worden meegenomen, was het naar voren brengen van deze nadere argumenten in dit stadium van de procedure in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep. 2.2. Het college betoogt dat het beroep van [appellante sub 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op luchtkwaliteit, omdat zij in zoverre geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. 2.2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. [appellante sub 2] heeft geen zienswijzen naar voren gebracht over luchtkwaliteit. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat haar dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellante sub 2] voor zover dat betrekking heeft op luchtkwaliteit niet-ontvankelijk is. 2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.4. [appellante sub 2] en [appellanten sub 1] betogen dat bij de beoordeling van de milieuaspecten ten onrechte, wat geluid betreft, is uitgegaan van de situatie dat de maximale productiecapaciteit van de menginstallatie van 180 ton asfalt (producten) per uur gedurende 24 uur per dag wordt benut, terwijl, wat luchtkwaliteit en geur betreft, is uitgegaan van een gemiddelde situatie op basis van de maximale vergunde jaarproductie van 250.000 ton asfalt (producten) in 2.000 productie-uren per jaar. Daardoor wordt volgens hen niet van een eenduidige representatieve bedrijfssituatie uitgegaan. Volgens [appellante sub 2] en [appellanten sub 1] geeft de vergunning dientengevolge meer geluidruimte dan op grond van de aangevraagde productie op jaarbasis nodig is, waardoor de geluidruimte in de geluidzone nodeloos wordt opgevuld. Ook is volgens [appellanten sub 1] ten onrechte niet onderzocht wat de situatie dat de maximale productiecapaciteit wordt benut voor gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit en voor geur. 2.4.1. Het college betoogt dat het voor de beoordeling van geluid is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). Voor geur en luchtkwaliteit is overeenkomstig respectievelijk de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) en het Besluit luchtkwaliteit 2005 uitgegaan van de jaargemiddelde concentratie, aldus het college. 2.4.2. De Afdeling overweegt, mede gelet op het deskundigenbericht, dat, wat geluid betreft, de representatieve bedrijfssituatie volgens paragraaf 5.3 van de Handreiking betrekking dient te hebben op een voor de geluiduitstraling kenmerkende bedrijfsvoering bij volledige capaciteit van de inrichting. Gelet hierop is het college in zoverre op goede gronden uitgegaan van de in bijlage 3b bij de, voor zover hier van belang, van de vergunning deel uitmakende aanvraag vermelde maximale productiecapaciteit per uur. De Afdeling overweegt voorts, wat luchtkwaliteit en geur betreft, dat de stofimmissie- en geurverspreidingsberekeningen zijn uitgevoerd met het programma Pluim Plus, dat is gebaseerd op het zogeheten Nieuwe Nationale Model. In dit kader wordt, zoals mede uit het deskundigenbericht blijkt, de stofimmissie en geurverspreiding berekend aan de hand van de jaarproductie. Gelet hierop is het college wat luchtkwaliteit en geur betreft op goede gronden uitgegaan van de maximaal vergunde jaarproductie op basis van het aantal productie-uren per jaar. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning teveel geluidruimte geeft dan wel de gevolgen voor de luchtkwaliteit of geur zijn onderschat. De beroepsgrond faalt. 2.5. [appellanten sub 1] betogen dat het college bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken mede rekening had moeten houden met het BREF-document Reference Document on Best available Techniques for for the Waste Treatments Industries (BREF Afvalbehandeling), het BREF-document Reference Document on Best available Techniques for Waste Incineration (BREF Afvalverbranding), het BREF-document Reference Document on Best available Techniques on Emissions from Storage (BREF Op- en overslag bulkgoederen) en het Reference Document on Economics and Cross-Media Effects (hierna: het REF Cross media & economics). Volgens [appellanten sub 1] kan namelijk niet worden uitgesloten dat asfalt zal worden verwerkt met een zodanig hoog teergehalte, dat sprake is van een installatie voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen. Daarom zou het in dit geval gaan om een gpbv-installatie, zodat ook rekening had moeten worden gehouden met documenten, zoals voornoemde, die zijn opgenomen in tabel 1 van de bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten behorende bijlage. Indien niet zou kunnen worden gesproken van een gpbv-installatie, had volgens [appellanten sub 1] in ieder geval de CROW-publicatie "Omgaan met vrijkomend asfalt" onderdeel van het beoordelingskader moeten zijn. Voorts betogen [appellante sub 2] en [appellanten sub 1] dat ook ten aanzien van niet-gpbv-installaties rekening moet worden gehouden met het REF Cross media & economics. Het college had volgens hen aan de hand daarvan moeten onderzoeken of alternatieven, waaronder een ander ontwerp en bouw van de inrichting, een andere indeling van het terrein en een andere bedrijfsvoering, vanuit het oogpunt van de beste beschikbare technieken te prefereren zouden zijn geweest. In dit verband wijzen [appellanten sub 1] erop dat in het Eindrapport Beste Beschikbare Technieken voor Asfaltcentrales van het Vlaams Kenniscentrum voor de beste beschikbare technieken (Vito), beste beschikbare technieken in de sector van de asfaltcentrales zijn geselecteerd en voorstellen daartoe zijn gedaan. Volgens hen zijn de daarin beschreven technieken, zoals geurneutralisatie door middel van het vernevelen van parfum, de opslag onder dak van steenslag, zand en asfaltpuingranulaat, en het overkoepelen van transportbanden als beste beschikbare technieken aan te merken en had het college moeten onderzoeken of deze voor de inrichting in aanmerking komen. Daarvoor is volgens [appellanten sub 1] temeer aanleiding gezien de lokale en regionale milieusituatie. Daarbij is volgens hen van belang dat de inrichting zich planologisch gezien weliswaar op een terrein bevindt dat geschikt is voor zware industrie, maar de feitelijke situatie geheel anders is, omdat op het terrein vooral bedrijven met een aanzienlijk lichtere milieubelasting zijn gevestigd, zoals kantoren. Er is volgens hen op het industrieterrein zelfs een distributiecentrum van het levensmiddelenbedrijf Aldi aanwezig is, waarmee een asfaltmengcentrale zich in het geheel niet verdraagt. 2.5.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder gpbv-installatie verstaan: installatie als bedoeld in bijlage 1 van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC-richtlijn). Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, tweede en derde lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken met de in tabel 1 van de bijlage vermelde documenten in ieder geval rekening, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installaties betreft, en houdt het bevoegd gezag met de in tabel 2 van de bijlage vermelde documenten rekening, voor zover deze documenten betrekking hebben op onderdelen van of activiteiten binnen de inrichting. 2.5.2. Het college heeft blijkens het bestreden besluit rekening gehouden met documenten die zijn vermeld in tabel 2 van de bijlage behorend bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten. 2.5.3. De Afdeling overweegt dat een asfaltmengcentrale als zodanig niet is opgenomen in bijlage 1 van de IPPC-richtlijn. Voorts constateert de Afdeling dat, zoals onder meer uit het gestelde onder 14.11 in de, voor zover hier van belang, van de vergunning deel uitmakende aanvraag en het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1.3. volgt, alleen niet-teerhoudend asfalt mag worden geaccepteerd en verwerkt. Gelet daarop kan de onderhavige asfaltcentrale niet worden aangemerkt als een gpbv-installatie, zodat voor het college niet de verplichting bestond om op grond van artikel 5a.1 van het Ivb in samenhang met artikel 1, tweede lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten rekening te houden met de documenten die worden genoemd in tabel 1 van de bijlage behorende bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 2] en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college rekening had moeten houden met het REF Cross media & economics. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college rekening had moeten houden met het rapport van het Vito. Ten aanzien van de CROW-publicatie Omgaan met vrijkomend asfalt overweegt de Afdeling dat daarnaar wordt verwezen in de door het college gehanteerde bijzondere regeling C5 Asfaltmenginstallaties van de NeR (hierna: bijzondere regeling C5), zodat deze publicatie onderdeel van het beoordelingskader van het college is. Ten aanzien van het betoog dat het college alternatieven, waaronder een ander ontwerp en bouw van de inrichting, een andere indeling van het terrein en een andere bedrijfsvoering, had moeten onderzoeken overweegt de Afdeling dat het college op grondslag van de aanvraag dient te besluiten of voor de inrichting zoals aangevraagd vergunning kan worden verleend. De vraag of alternatieven zoals genoemd door [appellanten sub 1] te prefereren zouden zijn, kan daarbij geen rol spelen. De Afdeling overweegt voorts dat niet in geschil is dat de inrichting is gelegen op een terrein dat is bestemd voor zware industrie. Dat op dit terrein kantoren zijn gevestigd alsmede het distributiecentrum van een levensmiddelenbedrijf maakt dat niet anders. Gelet daarop ziet de Afdeling in het betoog van [appellanten sub 1] geen aanleiding voor de opvatting dat het college in redelijkheid op grond van de lokale situatie meer of andere maatregelen als voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken had moeten aanmerken. Deze beroepsgronden falen. 2.6. [appellanten sub 1] betogen dat visuele hinder ten onrechte niet bij de beoordeling van de aanvraag is betrokken. 2.6.1. De Afdeling overweegt dat de vraag of zich visuele hinder voordoet, primair aan de orde komt in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, mede gelet op de ligging van de inrichtingen van [appellanten sub 1] en KWS op een industrieterrein, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. 2.7. [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte de opslag van grondstoffen en granulaten niet in de berekening van fijn stof (PM10) is betrokken. 2.7.1. De Afdeling constateert dat de opslag van grondstoffen en granulaten niet in de berekening van PM10 is betrokken. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de emissie van fijn stof als gevolg van de opslag klein zal zijn, maar niet bij voorbaat te verwaarlozen. Nu uit het deskundigenbericht tevens blijkt dat het meerekenen van deze emissie niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor PM10, ziet de Afdeling in het op dit punt door [appellanten sub 1] gestelde geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld aan de grenswaarden voor PM10 kan worden voldaaan. 2.8. [appellanten sub 1] betogen dat in het geuronderzoek is uitgegaan van onjuiste kengetallen. Bij herberekening wordt volgens hen voor een aantal geurgevoelige objecten niet meer voldaan aan het in bijzondere regeling C5 als acceptabel aangemerkte emissieniveau ter plaatse van geurgevoelige objecten van 1 ouE/m3 als 98-percentiel. Zij betogen dat volgens de bijzondere regeling weliswaar afwijking tot 5 ouE/m3 als 98-percentiel ter plaatse van geurgevoelige objecten mogelijk is, mits daaraan een afweging van het college ten grondslag ligt, welke afweging echter ontbreekt. Voorts betogen [appellanten sub 1] dat het volgens paragraaf 2.9.2 van de NeR ook gewenst kan zijn om bedrijven ten opzichte van elkaar te beschermen, hetgeen volgens hen in het onderhavige geval aan de orde is, gezien de milieusituatie op het industrieterrein. [appellanten sub 1] stellen in hun nadere memorie van 24 juli 2008 dat ter plaatse van het bedrijf van [directeur] het concentratieniveau van geur boven de in bijzondere regeling C5 opgenomen waarde van 5 ouE/m3 als 98-percentiel ligt, zodat volgens hen ter plaatse van dat bedrijf sprake is van onaanvaardbare geurhinder. Naar aanleiding van het verzoek van de Afdeling ter zitting om opstelling van een aangepaste versie van figuur 2 van het geurrapport van WNP raadgevende ingenieurs van 11 april 2006, heeft het college bij nader stuk van 1 oktober 2008 een kadastrale kaart aangeleverd waarop herberekende geurverspreidingscontouren zijn ingetekend. Hoewel volgens [appellanten sub 1] de ligging van de in het geuronderzoek genoemde receptorpunten op deze tekening niet is aangegeven, trekken zij in hun nadere stuk van 2 oktober 2008 uit deze tekening de conclusie dat het bedrijf van [directeur] is gelegen tussen de contour van 5 ouE/m3 als 98-percentiel en 2,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Volgens [appellanten sub 1] heeft het college echter onvoldoende gemotiveerd waarom de aldaar geboden bescherming toereikend is. [appellante sub 2] betoogt dat uit het geuronderzoek niet blijkt of kan worden voldaan aan de gehanteerde geurnormen. Volgens [appellante sub 2] dient in verband daarmee te worden voorgeschreven dat na het daadwerkelijk in gebruik nemen van de inrichting een controlemeting op geur dient te worden verricht. [appellante sub 2] betoogt dat daartoe een termijn dient te worden gesteld. 2.8.1. De Afdeling overweegt dat in het bij de aanvraag om vergunning behorende geurrapport van 11 april 2006 berekeningen zijn gemaakt van de geuremissie. Daarbij is gebruik gemaakt van kengetallen, die waren ontleend aan een ten tijde van dat onderzoek nog niet op papier rondgezonden wijziging van bijzondere regeling C5. Vast staat dat door een leesfout het getal 106 in een gefaxte versie is aangezien voor het getal 105, waardoor de gebruikte kengetallen een factor 10 te laag zijn. Bij nadere memorie van 18 juni 2008 heeft het college betoogd dat de geurcontouren van figuur 2 van het van de vergunning deel uitmakende geurraport van 11 april 2006, aangezien het bestreden besluit in zoverre op een vergissing berust, dienen te worden gecorrigeerd en een controlevoorschrift voor geur aan de vergunning had moeten worden verbonden. Gelet hierop is het besluit, wat paragraaf 3 Geur van de daaraan verbonden voorschriften betreft, in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Deze beroepsgronden slagen. 2.9. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, wat paragraaf 3 Geur van de daaraan verbonden voorschriften betreft. Het college dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. Het beroep is voor het overige ongegrond. 2.10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op luchtkwaliteit; II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 14 september 2007, kenmerk 1329893, voor zover het paragraaf 3 Geur van de daaraan verbonden voorschriften betreft; IV. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om binnen 3 maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor zover het betreft de vernietiging onder III en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 670,28 (zegge: zeshonderdzeventig euro en achtentwintig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 1], [appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellante sub 1 D], [appellante sub 1 E], [appellante sub 1 F], [appellante sub 1 G], [appellante sub 1 H] en [appellante sub 1 I], onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere; veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 2], onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellante sub 1], [appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellante sub 1 D], [appellante sub 1 E], [appellante sub 1 F], [appellante sub 1 G], [appellante sub 1 H] en [appellante sub 1 I], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere, en € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellante sub 2] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Kuipers voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 271-539.