
Jurisprudentie
BG9759
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707325/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707325/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heensehoeve B.V. (hierna: de Heensehoeve) een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houden van een varkenshouderij aan de Heensedijk 16b te De Heen.
Uitspraak
200707325/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
De Heensehoeve B.V., gevestigd te Reusel,
appellant,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heensehoeve B.V. (hierna: de Heensehoeve) een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houden van een varkenshouderij aan de Heensedijk 16b te De Heen.
Bij besluit van 18 september 2007, kenmerk PZH-2007-405758, heeft het college het door de Heensehoeve hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de Heensehoeve bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting Stichting Leefbaarheid De Heen, gevestigd te De Heen, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2008, waar de Heensehoeve, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Eijk en M.L. de Koning, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij het besluit van 15 mei 2007 heeft het college de Heensehoeve de last opgelegd dat zij uiterlijk binnen 20 weken na de datum van dit besluit haar inrichting aan de Heensedijk 16b te De Heen sluit en gesloten houdt, haar activiteiten aldaar, bestaande uit het mesten van varkens en het opslaan van dierlijke mest, beëindigt en beëindigd houdt en voorts de binnen de inrichting aanwezige varkens, afvalstoffen en meststoffen op rechtens toegestane wijze afvoert. Verder is in dit besluit aangegeven dat als de Heensehoeve niet binnen de gestelde termijn aan vorenvermelde last voldoet, zij vanaf het verstrijken van die termijn een dwangsom verschuldigd is van € 20.000,00 per week dat dit voortduurt, met een maximum van € 200.000,00.
Bij het bestreden besluit heeft het college het besluit van 15 mei 2007 gehandhaafd, met dien verstande dat de varkenshouderij zoals deze ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in gebruik was, dient te worden beëindigd, waarbij de aanvankelijk gestelde termijn van 20 weken is verlengd.
Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in de inrichting varkens werden gehouden nabij het Krammer-Volkerak. Voorts is niet in geschil dat de Heensehoeve destijds niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998.
Het college was derhalve bevoegd ter zake handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.2. De Heensehoeve betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, nu zij voor haar activiteiten een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 heeft aangevraagd. Bovendien heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet in aanmerking genomen dat de ammoniakdepositie van de varkenshouderij zoals deze in gebruik is, voldoet aan de normen volgens het 'Toetsingskader ammoniak en Natura 2000' (hierna: het toetsingskader), zo voert de Heensehoeve aan.
2.2.1. Volgens het college ziet de vergunningaanvraag op het in bedrijf zijn van de varkenshouderij met een chemische luchtwasser met een verwijderingsrendement van 95% in combinatie met het 'Intelligent Clean Ventilation-systeem' (hierna: I.C.V.-systeem). Omdat deze voorzieningen nog niet zijn aangebracht, is geen sprake van een concreet zicht op legalisatie van de varkenshouderij zoals deze thans in gebruik is, aldus het college. Volgens het college overtreedt de Heensehoeve artikel 19d van de Nbw 1998, daargelaten of de Heensehoeve zou voldoen aan het door haar aangehaalde toetsingskader. Daarom blijft een vergunning vereist, aldus het college.
2.2.2. Niet in geschil is dat de varkenshouderij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in werking was zonder dat de luchtwasser is geïnstalleerd die is omschreven in de vergunningaanvraag van de Heensehoeve. Derhalve biedt deze vergunningaanvraag geen concreet zicht op legalisatie van de varkenshouderij zoals deze ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in werking was.
Wat betreft het betoog dat het toetsingskader concreet zicht biedt op legalisatie, is het volgende van belang. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was een ontwerp aanhangig voor een algemene maatregel van bestuur waarmee werd beoogd onder voorwaarden een generieke vrijstelling van de vergunningplicht uit de Nbw 1998 te verlenen voor de ammoniakuitstoot die afkomstig is van een veehouderijbedrijf, indien aan het toetsingskader werd voldaan. Dit toetsingskader houdt, voor zover hier van belang, in dat vergunning voor een uitbreiding van een bestaande veehouderij in de nabijheid van een Natura 2000-gebied kan worden verleend indien de ammoniakdepositie door de veehouderij op de dichtstbijzijnde rand van het gebied niet meer bedraagt dan 5% van de kritische depositiewaarde van het gebied. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat de uitbreiding geen significante negatieve gevolgen voor het gebied heeft. Ter onderbouwing van dit uitgangspunt wordt verwezen naar het rapport 'Onderzoek naar de ammoniakdepositie op 5 habitatgebieden ten behoeve van het interim toetsingskader Natura 2000 en Ammoniak' van Alterra, gepubliceerd op 15 mei 2007 (hierna: het rapport). Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 24 september 2008, nr. 200708180/1 heeft geoordeeld, kan op grond van het rapport niet met voldoende zekerheid worden gesteld dat een uitbreiding van een bestaande veehouderij in de nabijheid van een natuurgebied geen significante negatieve gevolgen voor dat gebied heeft indien de ammoniakdepositie door de veehouderij op de dichtstbijzijnde rand van het gebied niet meer bedraagt dan 5% van de kritische depositiewaarde. De enkele omstandigheid dat de ammoniakdepositie van de varkenshouderij minder bedraagt dan 5% van de kritische depositiewaarde van het Krammer-Volkerak leidt dan ook niet tot het oordeel dat moet worden aangenomen dat concreet zicht op legalisatie bestaat ten aanzien van de varkenshouderij zoals deze ten tijde van het bestreden besluit in werking was.
Voor het overige heeft de Heensehoeve niet bestreden dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie van de varkenshouderij zoals deze in werking was ten tijde van het bestreden besluit.
2.3. De Heensehoeve wijst daarnaast op de verwerving van depositierechten van een andere onderneming, waarmee zij haar ammoniakdepositie deels beoogt te compenseren, de zogenoemde saldering. De Heensehoeve voert aan dat uit het door haar overgelegde deel van het rapport "Geur-, ammoniak- en Blk- onderzoek" (Royal Haskoning, 10 juli 2007) blijkt dat deze saldering ertoe leidt dat de situatie voor het Krammer-Volkerak per saldo zal verbeteren.
2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat eventuele saldering niet afdoet aan de plicht voor de Heensehoeve om een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 aan te vragen. In de huidige situatie, zonder luchtwasser, heeft de ammoniakdepositie van de Heensehoeve immers een verslechterend en verstorend effect op de kwaliteit van de habitats op het Krammer-Volkerak en op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen, aldus het college.
2.3.2. In het door de Heensehoeve overgelegde deel van voornoemd onderzoeksrapport is de ammoniakdepositie van de Heensehoeve berekend na saldering met de volgens haar aangekochte depositierechten, uitgaande van diverse mogelijkheden om de ammoniakdepositie te reduceren met gebruikmaking van een chemische luchtwasser. Uit dit rapport blijkt niet hoeveel de ammoniakdepositie bedraagt na saldering, uitgaande van de depositie van de varkenshouderij zoals deze in werking was ten tijde van het bestreden besluit. Het college heeft in deze gegevens dan ook geen aanleiding hoeven zien om het bezwaar van de Heensehoeve gegrond te verklaren.
2.4. Tot slot voert de Heensehoeve aan dat het college bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet heeft bezien of het besluit tot handhaving van 15 mei 2007 onevenredig bezwarend is.
2.4.1. Volgens het college blijkt uit de verlenging van de begunstigingstermijn dat het besluit om handhavend op te treden jegens de Heensehoeve niet onevenredig bezwarend is.
2.4.2. Bij het bestreden besluit is de termijn die de Heensehoeve is gesteld om te voldoen aan de oplegde last, verlengd tot de dag waarop de chemische luchtwasser met een verwijderingsrendement van 95% gecombineerd met het I.C.V.-systeem moet zijn aangebracht die worden voorgeschreven in de door het college te verlenen vergunning krachtens de Nbw 1998. Gelet op de verlenging van de begunstigingstermijn en de wijze waarop die is vormgegeven, faalt het betoog van de Heensehoeve dat niet is bezien of handhavend optreden in dit geval onevenredig is. Dat het aanbrengen van de chemische luchtwasser ook samenhangt met een lopende vergunningaanvraag in het kader van de Wet milieubeheer, zoals de Heensehoeve ter zitting heeft aangevoerd, doet daar niet aan af, mede gezien de hiervoor genoemde ruime begunstigingstermijn.
2.5. De conclusie is dat hetgeen de Heensehoeve heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college haar bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard.
Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren w.g. Broekman
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
12-528.