
Jurisprudentie
BG9754
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800982/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800982/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) met toepassing van artikelen 8.23 en 8.24 van de Wet milieubeheer de bij besluit van 17 mei 2005 aan [vergunninghoudster] krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een trainingscentrum voor bedrijfshulpverlening en brandweeropleiding op het perceel [locatie] te [plaats], gewijzigd. Dit besluit is op 28 december 2007 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200800982/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) met toepassing van artikelen 8.23 en 8.24 van de Wet milieubeheer de bij besluit van 17 mei 2005 aan [vergunninghoudster] krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een trainingscentrum voor bedrijfshulpverlening en brandweeropleiding op het perceel [locatie] te [plaats], gewijzigd. Dit besluit is op 28 december 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten] hebben een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.M. van der Aa en A.P. Borninkhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur], als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Binnen de inrichting vinden oefeningen plaats ten behoeve van het trainen van brandweerlieden en bedrijfshulpverleners. Bij het bestreden besluit zijn onder meer voorschriften aan de milieuvergunning van 17 mei 2005 verbonden ter beperking van de milieugevolgen van container C1, waarmee hitte- en zichttrainingen worden uitgevoerd, en de flashover- en rollover-unit. In deze units wordt geoefend op het herkennen van een zogenoemde flashover en rollover, de plotselinge ontbranding van brandbare gassen. Deze brandbare gassen worden opgewekt door het stoken van hout.
2.2. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.
Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de vergunning verbinden.
Ingevolge het derde lid van artikel 8.23 en het tweede lid van artikel 8.24 zijn met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften de artikelen 8.7 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 8.11, derde lid, worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepaling komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.
2.3. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer omdat de bij het bestreden besluit gestelde voorschriften een uitbreiding inhouden van de bij besluit van 17 mei 2005 vergunde situatie. Hiertoe voeren zij aan dat het bestreden besluit ten opzichte van de reeds vergunde situatie de mogelijkheid biedt om oefeningen met de rollover-unit te houden. Tevens brengt het bestreden besluit volgens hen een uitbreiding van het aantal oefeningen alsmede een toename van de hoeveelheid maximaal te verstoken hout met zich.
2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij besluit van 17 mei 2005 de oefeningen met de roll-over zijn vergund. Volgens hem wordt met het bestreden besluit het aantal oefeningen ten opzichte van de reeds vergunde situatie beperkt. Daarnaast is bij het bestreden besluit de hoeveelheid hout die per oefening mag worden gestookt bij de rollover-unit en de flashover-unit weliswaar verhoogd tot 25 kg onderscheidenlijk 40 kg, maar neemt de totale hoeveelheid hout die wekelijks wordt gestookt bij de oefeningen af ten opzichte van de vergunde situatie. Het bestreden besluit brengt dan ook geen uitbreiding van de reeds vergunde activiteiten met zich, aldus het college.
2.3.2. In voorschrift 2.1 van het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat het aantal oefeningen met de rollover-unit en container C1 is gelimiteerd per object tot maximaal 6 per week.
In voorschrift 2.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor alle brandoefeningen, met uitzondering van de flashover, rollover en container C1, (aard)gas als brandstof moet dienen.
In voorschrift 2.11 is bepaald dat in afwijking van voorschrift A1 van de vigerende milieuvergunning de maximaal te stoken hoeveelheid hout bij een rollover-oefening meer dan 10 kg hout per oefening mag bedragen. Maximaal mag per oefening 25 kg hout worden gestookt.
Ingevolge voorschrift A1 van de vergunning van 17 mei 2005, voor zover hier van belang, maken de aanvraag van deze vergunning, de daarbij behorende tekeningen en overige bijlagen, alsmede de schriftelijk verstrekte aanvullingen op de aanvraag deel uit van deze vergunning.
2.3.3. In de aanvraag, die ten grondslag ligt aan de bij besluit van 17 mei 2005 verleende milieuvergunning (hierna: de aanvraag), is in bijlage 4 een overzicht gegeven van de oefenobjecten. In dit overzicht is het object 'bungalow/rollover' vermeld. Aangezien de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat oefeningen met de rollover-unit niet zijn vergund.
2.3.4. In de aanvraag is vermeld dat het stoken van houtvuren in houtkorven is beperkt tot maximaal 10 keer per dag ter plaatse van nader genoemde oefenobjecten. Tevens is hierin vermeld dat het verstoken van hout tot een minimum beperkt dient te blijven en de hoeveelheid maximaal 10 kg bedraagt. Hieruit volgt dat in de milieuvergunning van 17 mei 2005 het aantal oefeningen met houtgestookte oefenobjecten is beperkt tot maximaal 60 oefeningen per week en de hoeveelheid te stoken hout tot maximaal 600 kg per week.
Met het bestreden besluit wordt het stoken van hout beperkt tot de oefenobjecten flashover-unit, rollover-unit en container C1. In voorschrift G.2.2 van de milieuvergunning van 17 mei 2005 is bepaald dat het aantal oefeningen met de flashover-unit is beperkt tot vier keer per week. Gelet op voorschrift 2.1 van het bestreden besluit is het aantal oefeningen met de rollover-unit en container C1 gelimiteerd tot maximaal 12 per week. Met het bestreden besluit wordt dan ook, in tegenstelling tot hetgeen [appellanten] aanvoeren, het wekelijkse aantal oefeningen met houtgestookte oefenobjecten teruggebracht van 60 tot 16. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat het bestreden besluit een uitbreiding van het aantal oefeningen met zich brengt.
In tegenstelling tot het college aanvoert, volgt uit het bestreden besluit niet dat bij de flashover-oefening een hoeveelheid van 40 kg hout mag worden gestookt. Op grond van de milieuvergunning van 17 mei 2005 mag per oefening maximaal 10 kg hout worden gestookt. In voorschrift 2.11 van het bestreden besluit is bepaald dat per rollover-oefening maximaal 25 kg hout mag worden gestookt. Aangezien het aantal rollover-oefeningen en het aantal oefeningen met de flashover-unit en container C1 is beperkt tot vier onderscheidenlijk 12 per week, is de maximale hoeveelheid hout die bij de oefeningen wordt gestookt dan ook beperkt tot 220 kg per week. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat het bestreden besluit een uitbreiding van de maximale hoeveelheid te stoken hout met zich brengt.
Gelet op het vorenstaande leidt het bestreden besluit niet tot een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de vergunde situatie. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8.23 van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond faalt.
2.4. [appellanten] betogen dat de aan het ontwerp van het bestreden besluit gehechte lijst met oefenobjecten niet overeenkomt met de lijst die deel uitmaakt van de milieuvergunning van 17 mei 2005. Bij het bestreden besluit ontbreekt een plattegrond van de inrichting waardoor onduidelijk is waar de oefenobjecten zijn gelegen. Tevens komt de lijst, wat betreft de aanduiding welke brandstof in een object wordt gestookt, niet overeen met de voorschriften. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit volgens hen strijdig met het rechtszekerheidbeginsel.
2.4.1. In de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning van 17 mei 2005, is in bijlage 4 een overzicht bijgevoegd van de oefenobjecten. Deze lijst correspondeert met de bij deze bijlage gevoegde tekeningen waaruit de ligging van de oefenobjecten blijkt. Uit de milieuvergunning van 17 mei 2005 blijkt derhalve welke oefenobjecten zijn vergund en waar deze zijn gelegen binnen de inrichting. Tevens volgt uit voorschrift 2.2 van het bestreden besluit dat het stoken van hout is beperkt tot de oefenobjecten flashover-unit, rollover-unit en container C1. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat niet is gebleken dat de door [appellanten] bedoelde lijst deel uitmaakt van het bestreden besluit, is voldoende duidelijk welke oefenobjecten zijn vergund, waar deze liggen binnen de inrichting en welke oefenobjecten hout gestookt zijn. De beroepsgrond faalt.
2.5. [appellanten] voeren aan dat de in voorschrift 2.5 gestelde emissie-eis voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (hierna: PAK's) ontoereikend is.
2.5.1. Ingevolge voorschrift 2.5 van het bestreden besluit, voor zover hier van belang, moet de rookuitstoot van de rollover- en flashover-unit voldoen aan de op de Nederlandse emissie richtlijn lucht (hierna: de NeR) gebaseerde emissie-eis voor PAK's van 50 mg/m3.
2.5.2. Het college heeft bij het beoordelen van de emissie vanwege de rollover- en flashover-unit zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij paragraaf 3.2 van de NeR en emissie-eisen voor vergelijkbare inrichtingen. Voor PAK's geldt volgens de NeR de zogeheten minimalisatieverplichting, wat betekent dat moet worden gestreefd naar een nulemissie. Ter zitting is door het college verklaard dat bij het stellen van de emissie-eis voor PAK's geen rekening is gehouden met deze minimalisatieverplichting en de gestelde emissie-eis voor PAK's niet toereikend is. Het bestreden besluit is dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De beroepsgrond slaagt.
2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.
2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 18 december 2007, kenmerk MPM 5960;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hof van Twente aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;
IV. gelast dat de gemeente Hof van Twente aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. De Hek
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
542.