
Jurisprudentie
BG9753
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800628/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800628/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met voorschrift 2.1.3. van de bijlage behorende bij het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) opslaan van gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in de inrichting van [appellant], gelegen aan de [locatie] te [plaats].
Uitspraak
200800628/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met voorschrift 2.1.3. van de bijlage behorende bij het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) opslaan van gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in de inrichting van [appellant], gelegen aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Miltenburg en R.W.M. Fréhé, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op 1 januari 2008 zijn het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden en is het Besluit ingetrokken.
Gelet hierop kan de bij besluit van 24 augustus 2007 opgelegde last, nu deze ziet op overtreding van het Besluit, vanaf 1 januari 2008 niet meer leiden tot verbeurte van dwangsommen. Aan de last komt dan ook geen betekenis meer toe voor zover het activiteiten betreft die in 2008 of later plaatsvinden.
Ter zitting is gebleken dat vóór 1 januari 2008 geen dwangsommen zijn verbeurd. Het is dan ook de vraag of [appellant] nog belang heeft bij de behandeling van het beroep.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200106139/1, AB 2002, 39), kan procesbelang bestaan indien appellant tot op zeker hoogte aannemelijk maakt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming.
Ter zitting heeft [appellant] onweersproken gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van de aan hem opgelegde last onder dwangsom. Om er zeker van te zijn dat geen dwangsommen zouden worden verbeurd, zag [appellant] zich genoodzaakt jerrycans uit de inrichting elders op te slaan. De schade, aldus [appellant], bestaat uit kosten voor de huur van een opslagfaciliteit.
Gelet hierop acht de Afdeling niet onaannemelijk dat [appellant] daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van de bij besluit van 24 augustus 2007 opgelegde last onder dwangsom, gehandhaafd bij het besluit van 18 december 2007. Daarom heeft [appellant] zijn belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 18 december 2007 behouden.
2.2. Voorschrift 2.1.3. van de bijlage behorende bij het Besluit, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit van 24 augustus 2007 en het besluit van 18 december 2007, luidt als volgt:
"Gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen worden opgeslagen in verpakkingsmaterialen, houders of insluitsystemen die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen. De opslag van gevaarlijke stoffen in emballage vindt plaats in een of meer speciaal hiervoor bestemde ruimten, met uitzondering van gevaarlijke stoffen die zijn te beschouwen als werkvoorraad. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan de richtlijn CPR 15-1. In de inrichting mag in totaal ten hoogste 10 000 kg gevaarlijke stoffen in emballage worden opgeslagen. Indien in een opslagruimte meer dan 2 500 kg gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagruimte en de dichtstbijzijnde woning ten minste 20 meter."
2.3. [appellant] voert - kort samengevat - aan dat voorschrift 2.1.3. van de bijlage behorende bij het Besluit niet is overtreden. Volgens [appellant] heeft het college de binnen de inrichting aanwezige lege jerrycans op de aldaar hobbymatig gestalde legervoertuigen, de jerrycans in de stalen krat en de overige 'antieke' jerrycans ten onrechte aangemerkt als opslagvoorziening voor gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen.
2.3.1. In het besluit van 24 augustus 2007 noch in het besluit van 18 december 2007 is beschreven waaruit de gestelde overtreding van voorschrift 2.1.3 van de bijlage behorende bij het Besluit bestaat. Eerst in het verweerschrift wordt door het college verwezen naar een tijdens een bedrijfsbezoek op 22 oktober 2007 opgestelde inventarisatie van milieugevaarlijke stoffen binnen de inrichting. Die inventarisatie bevat uitsluitend een beschrijving met locaties van de gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen die in de inrichting zouden zijn aangetroffen. Daaruit volgt nog niet dat voorschrift 2.1.3. van de bijlage behorende bij het Besluit is overtreden. Uit die inventarisatie blijkt ook niet welke gedraging de gestelde overtreding oplevert.
Dit klemt te meer nu het college zich in het verweerschrift en ter zitting uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de last onder dwangsom niet ziet op de jerrycans in de stalen krat, terwijl in het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie, dat het college als motivering aan het besluit van 18 december 2007 ten grondslag heeft gelegd, is vermeld dat deze jerrycans als emballage te kwalificeren zijn. In het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie is voorts vermeld dat de jerrycans slechts onder het Besluit vallen indien in de jerrycans gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen opgeslagen zijn (geweest).
Uit de besluiten van 24 augustus 2007 en 18 december 2007 blijkt evenmin voldoende duidelijk welke maatregelen [appellant] moet treffen om aan de last te voldoen.
Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het besluit van 18 december 2007, waarbij het besluit van 24 augustus 2007 tot oplegging van de last onder dwangsom is gehandhaafd, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.
2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 18 december 2007 komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 24 augustus 2007 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem van 18 december 2007, kenmerk 2007.0.110.435;
III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 24 augustus 2007, kenmerk 2007.0.073.283/MR;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 december 2007;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Arnhem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 677,38 (zegge: zeshonderdzevenenzeventig euro en achtendertig cent), waarvan € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Arnhem aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI. gelast dat de gemeente Arnhem aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Taal
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
325-576.