
Jurisprudentie
BG9749
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200804223/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200804223/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 22 december 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.
Uitspraak
200804223/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2229 van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.
Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 april 2008, verzonden op 29 april 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2008, hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat te Amsterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover hier van belang, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.
Ingevolge artikel 134, eerste lid, voor zover hier van belang, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.
Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.
Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.
In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: Regeling eisen geschiktheid) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.
In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.
2.2. [appellant] is op 22 februari 2006 aangehouden waarbij, na onderzoek, een ademalcoholgehalte van 845 µg/l is geconstateerd. Daarop heeft het CBR een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 gevorderd. Dit onderzoek heeft op 30 september 2006 plaatsgevonden en bestond uit een lichamelijk, psychiatrisch en laboratoriumonderzoek. Na dit onderzoek heeft de keurend arts vastgesteld dat de bloedanalyse van [appellant] niet volledig was. Bij brief van 10 oktober 2006 is [appellant] daarom verzocht om toezending van de erytrocyten- en MCV-waarden. Hierbij is meegedeeld dat, indien de keurend arts de gevraagde gegevens niet binnen twee weken zou ontvangen, hij genoodzaakt zou zijn het keuringsrapport zonder deze gegevens naar het CBR te sturen, hetgeen de besluitvorming van het CBR negatief kan beïnvloeden.
2.3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het CBR op basis van de resultaten van het onderzoek het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard. De keurend arts heeft de diagnose misbruik van alcohol in ruime zin gesteld. In zijn rapport baseert hij deze diagnose op de uitslagen van het bloedonderzoek in onderlinge samenhang met de bevindingen uit lichamelijk en psychiatrisch onderzoek en de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het vermoeden van ongeschiktheid. Bij het bloedonderzoek zijn verhoogde gamma-GT-, ASAT- en ALAT-waarden geconstateerd. Deze zijn door de keurend arts aangemerkt als aanwijzing voor alcoholmisbruik nu bij het onderzoek niet is gebleken van mogelijke andere oorzaken voor de aan de hand van voormelde waarden vastgestelde leverfunctiestoornis.
2.4. [appellant] betoogt in hoger beroep dat ten onrechte de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, nu daarbij niet is voldaan aan de eisen die aan het daaraan ten grondslag liggende laboratoriumonderzoek worden gesteld. Volgens hem is onvoldoende bloed afgenomen om alle bloedwaarden te kunnen vaststellen en is het laboratoriumonderzoek daardoor onvolledig en ondeugdelijk geweest. De diagnose misbruik van alcohol in ruime zin kan daarom volgens hem geen stand houden. Tenslotte betoogt [appellant] dat, nu het bloedwaardeonderzoek hiertoe geen aanleiding gaf, geen psychiatrisch onderzoek had mogen plaatsvinden.
2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1; www.raadvanstate.nl) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze omstandigheden zich hier niet voordoen.
Anders dan [appellant] betoogt dient misbruik van alcohol te worden vastgesteld op basis van een volledig onderzoek en van alle aldus verkregen relevante medische en niet-medische gegevens in onderling verband bezien. Er bestaat geen vaste volgorde waarin de verschillende onderdelen van het onderzoek moeten worden uitgevoerd.
Vaststaat dat bij het bloedonderzoek verhoogde gamma-GT-, ASAT- en ALAT-waarden zijn gevonden. Deze zijn door de keuringsarts terecht aangemerkt als aanwijzing voor alcoholmisbruik nu bij het onderzoek niet is gebleken van andere mogelijke oorzaken voor de vastgestelde leverfunctiestoornis. Bovendien heeft de keuringsarts nadere aanwijzingen voor dat misbruik gevonden in de door [appellant] niet bestreden bevindingen uit het lichamelijke en psychiatrische onderzoek, zoals gemotiveerd weergegeven in het verslag van bevindingen. Met de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat de omstandigheid dat bij het onderzoek geen andere bloedwaarden zijn vastgesteld er niet aan afdoet dat de keuringsarts zijn conclusie op een afdoende grondslag, ontleend aan het gehele onderzoek heeft gebaseerd. [appellant] heeft in weerwil van de brief van 10 oktober 2006 en de daarin vervatte waarschuwing nagelaten te zorgen voor toezending van de verzochte bloedwaarden. Dat die niet in het onderzoek zijn betrokken komt derhalve voor zijn risico.
De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft mogen baseren op de afgenomen anamneses, de psychiatrische onderzoeksresultaten en de resultaten van de laboratoriumonderzoeken. Deze feiten en omstandigheden bieden voldoende steun voor de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin met als gevolg dat [appellant] niet aan de eisen van geschiktheid voldoet en het rijbewijs ongeldig diende te worden verklaard.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Klein
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.
176-591.