Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9742

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803127/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt (hierna: het college) aan [vergunninghouders] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) met een aanbouw en het gedeeltelijk gebruiken van deze aanbouw als kapsalon.


Uitspraak

200803127/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 31 maart 2008 in zaak nrs. 08/383 en 08/384 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt. 1. Procesverloop Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt (hierna: het college) aan [vergunninghouders] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) met een aanbouw en het gedeeltelijk gebruiken van deze aanbouw als kapsalon. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 maart 2008, verzonden op 22 april 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 januari 2008 vernietigd, voor zover dat ziet op de verleende vrijstelling ten aanzien van het gebruik van het te bouwen bijgebouw als kapsalon, en het besluit van 9 oktober 2007 herroepen, voor zover dat ziet op de verleende vrijstelling ten aanzien van het gebruik van het te bouwen bijgebouw als kapsalon. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2008, waar [appellant], bijgestaan door drs. C. Atema, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.F.M. Jungerman, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [vergunninghouders], bijgestaan door mr. C. Lubben, als belanghebbenden gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het bouwplan voorziet in een bouwwerk van 61 m², met op de begane grond een ruimte van ongeveer 38 m² die zal worden gebruikt als kapsalon, een bijkeuken en een toilet, en op de verdiepingsvloer een studeer- en een slaapkamer. Het bouwwerk is gesitueerd tegen de op het perceel staande woning en heeft zowel op de begane grond als op de verdiepingsvloer een toegang tot deze woning. 2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien: (…) c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de wet. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking, voor zover thans van belang,: a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij: 1º een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft; (…) e. een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een brutovloeroppervlak van 1500 m². 2.3. Op grond van het bestemmingsplan "Minnertsga de Bôle III" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Ingevolge artikel 4, onder A, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor: 1. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep; 2. aan- en uitbouwen; 3. bijgebouwen. Onder B, eerste lid, zijn bebouwingsbepalingen voor het bouwen van hoofdgebouwen opgenomen. Voorts is op het perceel van toepassing het thematisch bestemmingsplan "Bijgebouwenregeling" (hierna: de Bijgebouwenregeling), waarvan de daarin opgenomen voorschriften de voorschriften betrekking hebbende op de bijgebouwenregeling in het bestemmingsplan vervangen. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 2, van de Bijgebouwenregeling, zal de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per woning ten hoogste 60 m² bedragen. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 2, wordt onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, wordt onder aan- of uitbouw verstaan: een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk dat ruimtelijk ondergeschikt is aan dat (hoofd)gebouw, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 4, wordt onder bijgebouw verstaan: een gebouw dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw. 2.4. Het college heeft met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verband met de artikelen 20, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, en onder e, van het Bro 1985, vrijstelling verleend van artikel 4, aanhef en onder 2, van de Bijgebouwenregeling respectievelijk artikel 4, onder A, onderdeel 1, van het bestemmingsplan. 2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan niet voorziet in een bijgebouw of aanbouw, maar in een uitbreiding van het hoofdgebouw, zodat het college ten onrechte met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verband met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van het Bro 1985 vrijstelling heeft verleend van artikel 4, aanhef en onder 2, van de Bijgebouwenregeling. Volgens [appellant] had het college het bouwplan moeten toetsen aan artikel 4, onder B, eerste lid, van het bestemmingsplan. 2.5.1. Dit betoog slaagt. Het bouwplan voorziet mede in een studeer- en een slaapkamer op de verdiepingsvloer. Deze ruimten maken in functioneel opzicht deel uit van de als hoofdgebouw aan te merken woning op het perceel, zodat van functionele ondergeschiktheid ten opzichte van het hoofdgebouw geen sprake is, en daarmee niet van een bijgebouw. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat het bouwplan evenmin kan worden aangemerkt als een aan- of uitbouw als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 2, van de Bijgebouwenregeling, nu geen sprake is van bouwkundige ondergeschiktheid van het bouwplan aan het hoofdgebouw, gezien de nagenoeg gelijke oppervlakte en hoogte van het bouwplan en het hoofdgebouw en de vergelijkbare kapconstructies. Dit betekent dat het college het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan de Bijgebouwenregeling in plaats van aan artikel 4, onder B, eerste lid, van het bestemmingsplan. Nu het college het bouwplan in een nieuw te nemen besluit op bezwaar zal moeten toetsen aan de bebouwingsbepalingen als bedoeld in artikel 4, onder B, eerste lid, van het bestemmingsplan en, zo nodig, een besluit omtrent het al dan niet verlenen van vrijstelling daarvan zal moeten nemen, komt de Afdeling niet meer toe aan het betoog van [appellant] dat het gebruik van het bouwplan als kapsalon in strijd is met het bestemmingsplan. 2.6. Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college de adviezen van welstandsadvisering en monumentenzorg Hus en Hiem (hierna: de welstandscommissie) van 20 juni 2007 en 18 december 2007 niet aan zijn besluit op bezwaar van 22 januari 2008 ten grondslag had mogen leggen, slaagt eveneens. Zoals ter zitting is gebleken, heeft de welstandscommissie het bouwplan beoordeeld als een aan- of uitbouw. Nu het bouwplan dient te worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw, had de welstandscommissie het bouwplan moeten toetsen aan de welstandscriteria voor hoofdgebouwen. 2.7. Ten slotte slaagt het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem in beroep gemaakte kosten aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gelet op de statuten van Stichting Bok-die-leit, bestuursrechtelijk steunfunctiebureau, kan drs. C. Atema worden aangemerkt als rechtsbijstandverlener als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 22 januari 2008 gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. 2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 31 maart 2008 in zaak nrs. 08/383 en 08/384; III. verklaart het door [appellant] ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt van 22 januari 2008, kenmerk nr. 6; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1658,86 (zegge: zestienhonderdachtenvijftig euro en zesentachtig eurocent), waarvan € 1610,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Het Bildt aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI. gelast dat de gemeente Het Bildt aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 506,00 (zegge: vijfhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat. w.g. Konijnenbelt w.g. Huijben voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 313-531.