Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9738

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802759/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij onderscheiden besluiten van 15 december 2006 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) algehele sluiting bevolen voor de duur van een jaar van horeca-inrichting [bedrijf A] aan de [locatie] te [plaats] en de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] om een exploitatievergunning en een nachtontheffing voor horeca-inrichting [bedrijf B], gelegen op dezelfde locatie, afgewezen.


Uitspraak

200802759/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2008 in zaak nr. 07/2012 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en de burgemeester van Rotterdam. 1. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 15 december 2006 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) algehele sluiting bevolen voor de duur van een jaar van horeca-inrichting [bedrijf A] aan de [locatie] te [plaats] en de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] om een exploitatievergunning en een nachtontheffing voor horeca-inrichting [bedrijf B], gelegen op dezelfde locatie, afgewezen. Bij besluit van 27 april 2007 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 maart 2008, verzonden op 6 maart 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep voor zover ingesteld door [appellant A] niet-ontvankelijk verklaard en voor zover ingesteld door [appellant B] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2008. De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2008, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. M.P.Ph.M. Weerts, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. V. Wiegman en mr. drs. S.W. Remmert, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 2.3.2a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2004 (hierna: de APV), zoals dat luidde ten tijde van de besluiten van 15 december 2006, mogen de exploitant en de beheerder of beheerders niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. 2.2. Met ingang van 1 januari 2007 is de APV op onderdelen gewijzigd. Daarbij zijn in de hier van belang zijnde bepaling geen inhoudelijke wijzigingen gebracht die in dit geding van belang zijn. 2.3. Aan het besluit van 27 april 2007 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd - samengevat weergegeven en voor zover hier van belang - dat [appellant A] een zekere betrokkenheid heeft gehad bij het faciliteren van illegale prostitutie vanuit de horeca-inrichting aan de [locatie] te [plaats] - waarvan de naam op 1 juli 2006 is gewijzigd van [bedrijf A] in [bedrijf B] - en heeft nagelaten op adequate en voortvarende wijze op te treden tegen de activiteiten in de inrichting van illegaal in Nederland verblijvende en deels minderjarige prostituees. [appellant A] en [appellant B] profiteerden hiervan via de verkoop van drank. Daarmee voldoet in ieder geval [appellant A] niet aan de eisen die aan een exploitant van een horeca-inrichting worden gesteld ter bescherming van de openbare orde in en rondom de inrichting en kan gesteld worden dat hij van slecht levensgedrag is. 2.4. De rechtbank heeft het beroep voor zover ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Zij heeft overwogen dat [appellant A] op 1 mei 2007 uit [bedrijf B] is getreden en sinds die datum geen bemoeienis meer heeft met de horeca-inrichting. Het enkele herstel van de goede naam van [appellant A] is onvoldoende om procesbelang aan te nemen, aldus de rechtbank. Voorts is gesteld noch gebleken dat [appellant A] schade heeft geleden als gevolg van de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 15 december 2006. 2.5. [appellant A] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen procesbelang heeft. [appellant A] betoogt dat hij belang heeft bij het herstel van zijn goede naam, mede om daarmee zijn kansen op een baan bij andere horecaondernemingen te vergroten. 2.5.1. Dat [appellant A] een slechte naam heeft gekregen door de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 15 december 2006 acht de Afdeling niet onaannemelijk. [appellant A] betoogt dan ook terecht dat hij nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het betoog slaagt. 2.6. De rechtbank heeft het beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de burgemeester tot de conclusie heeft kunnen komen dat [appellant A] kan worden geacht in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn omdat aannemelijk is dat hij betrokken is geweest bij illegale prostitutie in en vanuit de horeca-inrichting. Voorts heeft zij overwogen dat de stelling van de burgemeester dat [appellant A] tevens betrokken was bij mensenhandel onvoldoende onderbouwd is. 2.7. [appellant B] betoogt dat de rechtbank de stellingen van de burgemeester dat [appellant A] betrokken is geweest bij illegale prostitutie, aannemelijk heeft geacht op grond van politierapporten waaraan slechts geringe waarde toekomt omdat geen sprake is van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en [appellant A] door de politieambtenaren door wie het rapport is opgesteld nimmer persoonlijk is gehoord. Hij verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 9 november 1989, KG 1990, nr. 82. Voorts stelt hij dat de burgemeester ten onrechte heeft nagelaten de rapporten te onderzoeken op deugdelijkheid. Ook voert hij aan dat het besluit van 23 januari 2007 onvoldoende is gemotiveerd omdat niet aannemelijk is dat vanuit de horeca-inrichting op grote schaal illegale prostitutie is bedreven, nu de rechtbank heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat [appellant A] betrokken is geweest bij mensenhandel. 2.7.1. De rechtbank heeft ter motivering van het oordeel dat de inrichting regelmatig werd gebruikt als ontmoetingsplaats van illegale prostituees verwezen naar politierapporten van 8 augustus en 31 oktober 2006, en in het bijzonder naar de bij deze rapporten behorende getuigenverklaringen en het analyserapport van het controleteam Prostitutie en Mensenhandel van 3 oktober 2006. Nu de getuigenverklaringen zijn vastgelegd in op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal treft de verwijzing van appellanten naar de uitspraak van 9 november 1989 geen doel, omdat het in die uitspraak niet ging om op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Nu voorts volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2002 in zaak nr. 200203903/1) in beginsel van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal kan worden uitgegaan en de conclusies in de rapporten van 8 augustus en van 3 en 31 oktober 2006 voldoende steun vinden in de in processen-verbaal opgenomen getuigenverklaringen, kan niet met succes worden staande gehouden dat de burgemeester genoemde rapporten nader had dienen te onderzoeken op deugdelijkheid. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht aannemelijk heeft geacht dat in of vanuit de horeca-inrichting illegaal prostitutie werd bedreven en dat [appellant A] daarvan op de hoogte was. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester zich op grond van deze feiten en omstandigheden op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant A] geacht kan worden in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn. Het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester op grond hiervan bevoegd was de horeca-inrichting te sluiten en de gevraagde vergunningen te weigeren, is juist. Nu de omstandigheid dat [appellant A] ervan op de hoogte was dat in en vanuit de horeca-inrichting illegaal prostitutie werd bedreven voldoende grondslag vormt voor de in bezwaar gehandhaafde besluiten, doet het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat [appellant A] betrokken is geweest bij mensenhandel, aan de bevoegdheid van de burgemeester om de in geding zijnde besluiten te nemen niet af. 2.8. Het hoger beroep is, voor zover het is ingesteld door [appellant A], gegrond. De aangevallen uitspraak komt, voor zover daarbij het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk is verklaard, voor vernietiging in aanmerking. Het hoger beroep is, voor zover ingesteld door [appellant B], ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover daarbij het beroep van [appellant B] ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant A] ongegrond verklaren, omdat uit hetgeen hiervoor in 2.7.1 is overwogen volgt dat hetgeen [appellant A] in beroep heeft aangevoerd geen doel treft. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant A] gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2008 in zaak nr. 07/2012 voor zover daarbij het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk is verklaard; III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; IV. verklaart het bij de rechtbank door [appellant A] ingestelde beroep ongegrond; V. verstaat dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellant A] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Mathot voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 413.